RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11888882 LE VERZ 25-65 LvdH/1470
Beschikking van 10 december 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonend in [plaats 1] ,
verder ook te noemen [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. R.A.D. Koppelaar,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
verder ook te noemen [verweerster] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. H. Mouselli.
1. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- een verzoekschrift met producties 1 tot en met 4;
- een verweerschrift met producties 1 tot en met 5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2025. Daarbij is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door een tolk en de gemachtigde. Namens [verweerster] is verschenen de heer [A] , bijgestaan door de gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij namens [verzoekster] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren.
De kantonrechter heeft bepaald dat er uitspraak zal worden gedaan.
2. Waar gaat de zaak over?
[verweerster] is een uitzendorganisatie die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan opdrachtgevers om voor die opdrachtgevers arbeid te verrichten.
[verzoekster] is op 23 september 2024, samen met haar man, in dienst getreden bij [verweerster] op basis van een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding met loonuitsluitingsbepaling. De uitzendovereenkomst is aangegaan voor de duur van één week, waarbij deze daarna telkens stilzwijgend kan worden verlengd voor de duur van vier weken.
Tijdens het dienstverband is [verzoekster] door [verweerster] te werk gesteld bij een filiaal van [ondeneming] in [plaats 2] . [verzoekster] heeft hier gewerkt tot en met 10 oktober 2024. Op die dag zou [verzoekster] ten val zijn gekomen en heeft zij geen werkzaamheden meer verricht voor [verweerster] .
In haar verzoekschrift vraagt [verzoekster] de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden en [verweerster] te veroordelen tot betaling van haar loon tot 23 september 2025.
[verweerster] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] .
3. De beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoeken gewijzigd, in die zin dat zij haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingetrokken. Volgens [verzoekster] is er op 23 september 2025 inmiddels van rechtswege een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst en bestaat er geen belang meer bij het verzoek tot ontbinding. De verzoeken tot betaling van het achterstallig loon over de periode tot 23 september 2025 te vermeerderen met de wettelijke rente en de veroordeling van [verweerster] in de kosten van deze procedure handhaaft [verzoekster] .
[verzoekster] is in dienst getreden bij [verweerster] op basis van een uitzendovereenkomst voor de duur van één week, die daarna telkens stilzwijgend met perioden van vier weken is verlengd. Volgens [verweerster] is er tot en met 22 december 2024 uitvoering gegeven aan de uitzendovereenkomst. Dit betekent, zo blijkt uit de toelichting van [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling, dat [verzoekster] over deze gehele periode betaald heeft gekregen. Dit wordt door [verzoekster] ook niet betwist. Ook staat vast dat er na 10 oktober 2024 niet meer is gewerkt voor [verweerster] . In haar verzoekschrift stelt [verzoekster] dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werk, maar dit is nergens uit gebleken.
[verweerster] voert aan dat er op 22 december 2024 van rechtswege een einde is gekomen aan de uitzendovereenkomst tussen partijen en dat zij hiervoor ook in januari 2025 een eindafrekening met daarbij betaling van de transitievergoeding heeft gestuurd aan [verzoekster] .
Het verzoek van [verzoekster] tot betaling van het achterstallig loon wordt door de kantonrechter afgewezen.
Volgens [verweerster] is er op 22 december 2024 van rechtswege een einde gekomen aan de uitzendovereenkomst tussen partijen. [verzoekster] heeft hiertegen niet geprotesteerd, ook niet na de ontvangst van de eindafrekening en de betaling van de transitievergoeding. Niet goed valt in te zien waarom [verzoekster] vervolgens acht maanden later alsnog een verzoek indient en zich daarbij op het standpunt stelt dat haar uitzendovereenkomst nog altijd zou voortduren en zij recht zou hebben op loondoorbetaling. Dit terwijl uit de stukken in het dossier niet anders blijkt dan dat het laatste contact met [verweerster] in oktober 2024 is geweest.
Omdat de verzoeken van [verzoekster] op grond van voorgaande worden afgewezen, zal de kantonrechter de overig verder gevoerde verweren van [verweerster] niet verder bespreken.
Of er bij [verzoekster] sprake was van arbeidsongeschiktheid naar aanleiding van een val op 10 oktober 2024, laat de kantonrechter in het midden omdat het niet relevant is voor de beoordeling van deze zaak en [verweerster] daarbij uitdrukkelijk betwist op de hoogte te zijn geweest van eventuele arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] .
Proceskosten
[verzoekster] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekend dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerster] moet betalen. De proceskosten van [verweerster] worden geroot op
€ 949,00, bestaande uit € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. Y.M. Vanwersch, kantonrechter, op 10 december 2025.