RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker
het CAK, afdeling Bezwaar en Beroep, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2402
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind)
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 3 maart 2025 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 25 april 2025 heeft verweerder in een correctiebrief vastgesteld dat te veel eigen bijdrage is berekend en toegezegd dat het te veel betaalde bedrag aan verzoeker zal worden terugbetaald. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten gemaakt in de bezwaar- en beroepsfase. Verweerder is op 13 november 2025 om reactie op dit verzoek gevraagd maar heeft hier niet op gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Verzoeker heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom enkel tot de beroepsfase.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
6. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb). Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.