Rechtbank MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/577917 / FO RK 24-855 en C/16/585836 FO RK 24-1500
Datum beschikking: 4 december 2025
In de procedure met zaaknummer C/16/577917 / FO RK 24-855:
In de zaak naar aanleiding van de op 5 juli 2024 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:
[minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,
wonende in [woonplaats] ,
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
[vader] , hierna: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.Q.M. Mosk,
In de procedure met zaaknummer C/16/585836 FO RK 24-1500:
in de zaak van:
[vader] , hierna: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.Q.M. Mosk,
In beide procedures worden als belanghebbenden aangemerkt:
[pleegmoeder] , hierna: de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats] ;
advocaat: mr. M. van Harskamp.
en
de gecertificeerde instelling DE JEUGD- & GEZINSBESCHERMERS, hierna: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
1. De procedure
In de beschikking van 19 december 2024, hersteld bij beschikking van 14 februari 2025, heeft de rechtbank de beslissing over de hoofdverblijfplaats en het contact tussen de vader en [minderjarige] aangehouden in afwachting van het verloop van het contactherstel.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
de brief van de GI van 25 juni 2025 met bijlagen;
de brief van de vader van 27 juni 2025;
de brief van de pleegmoeder van 30 juni 2025 met bijlage;
de brief van de vader van 28 november 2025 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Tijdens deze zitting zijn ook de verzoeken behandeld van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder te verlengen (zaak- en rekestnummer C/16/601105 / JE RK 25-1562). Op die verzoeken heeft de kinderrechter mondeling beslist. De schriftelijke uitwerking van die beslissing is opgenomen in een aparte beschikking.
Bij de zitting waren aanwezig:
- de advocaten van de vader, mr. M.Q.M. Mosk en mr. A.M.S. Kraaijeveld;
- de pleegmoeder met haar advocaat;
- [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [B] namens de GI.
De vader was niet aanwezig bij de zitting. Dit heeft hij voor de zitting aan de rechtbank laten weten.
Op de zitting hebben de advocaten van de vader een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter voorafgaand aan de zitting. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. [minderjarige] was hierbij aanwezig.
2. Waar de procedure over gaat
De vader en de moeder, [moeder] , zijn de ouders van [minderjarige] . De moeder is overleden op [datum] 2016.
De vader is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft sinds november 2022 bij de pleegmoeder. De vader en de pleegmoeder hebben van februari 2020 tot augustus 2022 een relatie gehad.
Op 12 september 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. In de beschikking van 29 november 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] definitief onder toezicht gesteld van de GI tot 29 november 2025. Op 25 november 2025 is de ondertoezichtstelling met instemming van partijen kort verlengd tot 13 december 2025, omdat het niet lukte om de zitting vóór 29 november 2025 te plannen. Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, tot 29 november 2026.
Op 12 september 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een netwerkpleeggezin, bij de pleegmoeder. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna, net als de ondertoezichtstelling, steeds verlengd, voor het laatst tot 13 december 2025. Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder verlengd voor de duur van een jaar, tot 29 november 2026.
In de beschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank beslist dat de GI voorlopig de regie heeft over de vraag of er contactherstel kan plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] en zo ja over de vorm, frequentie en duur van het contact.
3. Waar de rechtbank nog op moet beslissen
[minderjarige] wil het liefst bij haar pleegmoeder blijven wonen. Verder wil [minderjarige] dat haar vader geen gezag meer over haar heeft en ze wil geen contact meer met hem.
Over het gezag heeft de rechtbank in de beschikkingen van 12 september 2024 en 19 december 2024 al overwogen dat de wet geen mogelijkheid biedt voor [minderjarige] om de rechter te vragen om het gezag van haar vader te beëindigen en om haar pleegmoeder met het gezag te belasten. De rechtbank heeft op dat onderwerp daarom geen beslissing genomen. Dit is nogmaals besproken op de zitting van 4 december 2025. De GI heeft verteld dat zij de beslissing van de rechtbank anders had opgevat, en dat zij daarom nog geen verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindiging heeft ingediend bij de Raad. Op de zitting is besproken dat het nu aan de GI is om te beoordelen of een dergelijk onderzoek nu alsnog aangevraagd moet worden, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] en op de lange wachtlijsten bij de Raad. De Raad heeft op de zitting toegelicht dat deze zaak, ondanks de leeftijd van [minderjarige] , geen voorrang zal krijgen.
De beslissing over waar [minderjarige] moet wonen en over het contact met haar vader heeft de rechtbank eerder aangehouden. Daar moet de rechtbank in deze beschikking nog op beslissen.
4. De standpunten van de belanghebbenden
De advocaten van de vader hebben namens hem op de zitting zijn verzoek om een contactregeling vast te stellen ingetrokken. De vader wil [minderjarige] de ruimte geven en niet blijven aandringen op het afdwingen van een contactmoment. De vader hoopt dat [minderjarige] in de toekomst openstaat voor contactherstel en hij wil benadrukken dat zijn deur altijd openstaat voor [minderjarige] en dat hij heel veel van haar houdt.
De pleegmoeder staat achter de wensen van [minderjarige] .
5. Beoordeling
De beslissing
De rechtbank zal beslissen dat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] , anders dan wanneer [minderjarige] zelf aangeeft dat zij hiertoe bereid is en klaar voor is. De rechtbank zal geen ambtshalve beslissing nemen over de vraag waar [minderjarige] moet wonen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Geen ambtshalve beslissing over de hoofdverblijfplaats
Omdat de vader alleen is belast met het gezag over [minderjarige] , kan de rechtbank niet ambtshalve beslissen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de pleegmoeder wordt vastgesteld. Door de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt het verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder wel gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat deze duidelijkheid [minderjarige] voldoende rust geeft.
De motivering over het contact tussen de vader en [minderjarige]
Er is op dit moment nog geen contact tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] wil ook nog geen contact met haar vader. De vader stelt zelf dat [minderjarige] zelf mag beslissen over het contact met hem. De rechtbank denkt ook dat dit goed is. [minderjarige] is op dit moment op een leeftijd waarop zij ook zelf kan aangeven hoe zij over deze zaken denkt. Daarom zal de rechtbank ambtshalve beslissen dat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] , behalve als [minderjarige] zelf wel contact wil.
6. Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] , anders dan wanneer [minderjarige] zelf aangeeft dat zij hiertoe bereid is en klaar voor is;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
maakt geen gebruik van haar ambtshalve bevoegdheid om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder te bepalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is mondeling en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025, en op schrift gesteld op 16 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.