ECLI:NL:RBMNE:2025:6944

ECLI:NL:RBMNE:2025:6944, Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2025, 11239394 EL EXPL 24-31 D/954

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-03-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer 11239394 EL EXPL 24-31 D/954
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amersfoort

Samenvatting

Dexia. Effectenlease. Eerdere erkenning door Dexia van onaanvaardbaar zware financiële last voor afnemer bij aangaan overeenkomst

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 11239394 EL EXPL 24-31 D/954

Vonnis van 19 maart 2025

inzake

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eisende partij] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 10 juli 2024;

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met een incidentele vordering;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en in het incident;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties;

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2. De feiten

[eisende partij] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[contractnummer]

20-06-2000

WinstVerDriedubbelaar

II.

[contractnummer]

01-11-2000

Profit Effect

III.

[contractnummer]

01-11-2000

Profit Effect

IV.

[contractnummer]

25-07-2001

WinstVerDriedubbelaar

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

12-07-2005

- € 7.416,36

Ja

II.

08-03-2007

- € 103,80

Ja

III.

08-03-2007

- € 103,80

Ja

IV.

07-10-2005

- € 1.596,36

Ja

Volgens opgave van Dexia heeft [eisende partij] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.145,84 aan maandtermijnen en een bedrag van € 9.220,32 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisende partij] € 2.482,73 bedrag aan dividenden ontvangen en € 1.056,97 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 8.167,35 aan [eisende partij] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.

De gemachtigde van [eisende partij] , Leaseproces, heeft bij brief van 2 november 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

3. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident

[eisende partij] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 voor recht te verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zogenaamde Hofmodel,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisende partij] van al datgene dat [eisende partij] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisende partij] , met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, alsmede een incidentele vordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident:

 [eisende partij] zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisende partij] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend;

in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eisende partij] gesloten overeenkomsten met de nummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] niets meer aan [eisende partij] verschuldigd is,

 [eisende partij] zal veroordelen in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4. Beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisende partij] .

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[eisende partij] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisende partij] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

ten aanzien van de overeenkomsten met de nummers [contractnummer] en [contractnummer]

tussenpersoon

[eisende partij] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon P. van der Zee Kredieten. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisende partij] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisende partij] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisende partij] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisende partij] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisende partij] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[eisende partij] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eisende partij] heeft naar aanleiding van een advertentie contact opgenomen met P. van der Zee Kredieten. De medewerker van P. van der Zee Kredieten stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisende partij] door te nemen met een financieel adviseur van P. van der Zee Kredieten. [eisende partij] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van P. van der Zee Kredieten, de heer [A] (hierna te noemen: ‘adviseur’), zijn visitekaartje overhandigd. Daarna heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisende partij] . Zo is met de adviseur gesproken over de wens van [eisende partij] om een auto te kopen. [eisende partij] had eerder al een persoonlijke lening afgesloten om een auto te kopen en dit beviel [eisende partij] goed. Om deze reden was [eisende partij] geïnteresseerd om opnieuw een lening af te sluiten voor de aanschaf van een nieuwe auto. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. De adviseur adviseerde [eisende partij] om een doorlopend krediet af te sluiten met daaraan gekoppeld twee Profit Effect overeenkomsten van Bank Labouchere. Concreet adviseerde de adviseur om een vooruitbetaling te doen voor twee Profit Effect overeenkomsten met elk een bedrag van ruim NLG 3.300,00 per overeenkomst, in totaal ruim NLG 6.600,00. Om de kansen beter te kunnen spreiden adviseerde de adviseur om specifiek twee overeenkomsten af te sluiten. Om het bedrag van de overeenkomsten te kunnen voldoen adviseerde de adviseur om hiervoor een doorlopend krediet af te sluiten van NLG 25.000,00 bij de Nederlandse Voorschotbank. Van de NLG 25.000,00 kon [eisende partij] volgens de adviseur de twee Profit Effect vooruitbetalen een deel gebruiken om de gewenste auto te kunnen aanschaffen. Daarnaast adviseerde de adviseur ook nog om een verzekering bij Cardif af te sluiten voor het geval dat [eisende partij] onverhoopt arbeidsongeschikt of onvrijwillig werkloos zou worden, waardoor [eisende partij] het doorlopend krediet niet meer zou kunnen aflossen. De koopsom om de Cardif verzekering af te sluiten zou [eisende partij] dan ook meteen kunnen voldoen vanuit het doorlopend krediet. De adviseur heeft zijn advies onderbouwd aan de hand van rekenvoorbeelden, een brochure en een Excel-bestand op zijn laptop. [eisende partij] had geen kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisende partij] het advies van de adviseur opgevolgd.

[eisende partij] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van twee aanvraagformulieren van 23 oktober 2000 op naam van [eisende partij] , waarop een stempel is geplaatst met onder meer de tekst “P. van der Zee financiële dienstverlening” en ATP-nummer 0783 is ingevuld,

- kopieën van de overeenkomsten van 1 november 2000 met contractnummer [contractnummer] en [contractnummer] , voorzien van de tekst ‘Adviseur: [nummer] -P. van der Zee Kredieten B.V.’, - een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van P. van der Zee financiële dienstverlening, waarop onder meer vermeld staat: “ [A] ”, - een kopie van een kredietovereenkomst van 23 oktober 2000 met betrekking tot NLG 25.000,00 gesloten door [eisende partij] en De Nederlandse Voorschotbank, met de vermelding dat dit contract tot stand kwam door bemiddeling van P. van der Zee Financiële Dienstverlening,

- een kopie van een met ingang van 23 oktober 2000 gesloten verzekeringsovereenkomst gesloten tussen [eisende partij] en Cardif met vermelding van P. van der Zee Financiële Dienstverlening,

- schermafbeeldingen waaruit uit volgt dat Van der Zee Kredieten, onderdeel van VDZ Geldgroep, zich profileerde als onafhankelijk en deskundig adviesbureau, door onder meer de tekst:

Financieel advies

Laat u adviseren op financieel gebied door de experts van de VDZ Geldgroep. Wij zijn op de hoogte van de laatste wijzigingen in het belastingstelsel, de laatste rentestanden en tarieven. Neem contact op met één van onze vestigingen voor een persoonlijk advies.

Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eisende partij] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eisende partij] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisende partij] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eisende partij] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

wetenschap Dexia

[eisende partij] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [eisende partij] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisende partij] , had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [eisende partij] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [eisende partij] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [eisende partij] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia 4.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisende partij] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisende partij] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisende partij] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eisende partij] 4.12. De door [eisende partij] gevorderde verklaringen) voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.

De als gevolg hiervan door [eisende partij] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisende partij] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisende partij] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

de incidentele vordering van Dexia

Dexia vordert dat [eisende partij] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:

- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,

- het moet gaan om bepaalde bescheiden,

- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het derde en vierde lid van artikel 843a Rv geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het derde lid van artikel 843a Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eisende partij] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eisende partij] , althans haar zijn gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 843a Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisende partij] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op € 82,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

ten aanzien van de overeenkomsten met de nummers [contractnummer] en [contractnummer]

Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:

de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;

het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;

de eigen schuld (art. 6:101 BW);

een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;

de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;

wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;

wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [eisende partij] de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.

De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld

De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [eisende partij] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.

Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel

Op de door [eisende partij] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.

Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.

Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [eisende partij] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomsten, en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.

De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last

Op grond van artikel 6:101 BW dient [eisende partij] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.

Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eisende partij] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [eisende partij] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [eisende partij] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981).

[eisende partij] heeft primair gesteld dat Dexia reeds in 2011 heeft erkend dat ten aanzien van deze overeenkomsten sprake was van een onaanvaardbaar zware last en dat Dexia niet op deze erkenning kan terugkomen. Nu Dexia de primaire stelling van [eisende partij] niet heeft weersproken, moet het ervoor worden gehouden dat sprake is geweest van vorenbedoelde erkenning en dat Dexia daarop niet heeft kunnen terugkomen. Dit betekent dat wat partijen verder over en weer hebben gesteld geen bespreking meer behoeft.

Uit het voorgaande volgt verder dat zowel de resterende schade wegens verschuldigde termijnen als de resterende schade wegens restschuld voor 1/3 deel voor rekening van [eisende partij] blijft.

Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is

Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal [eisende partij] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.

Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst(en) zullen partijen in staat zijn te berekenen:

a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;

b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;

c. of en zo ja tot welk bedrag [eisende partij] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;

d. wat [eisende partij] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomst(en) in totaal aan Dexia verschuldigd is.

[eisende partij] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [eisende partij] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).

Dexia heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens [eisende partij] aanspraak op nakoming van betalingsverplichtingen indien en voor zover [eisende partij] ter zake van een bepaalde overeenkomst minder aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen.

De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten

Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).

Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is.

Vorenstaande betekent dat de vorderingen van Dexia worden afgewezen.

ten aanzien van alle overeenkomsten

proceskosten

Omdat [eisende partij] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisende partij] gevallen.

Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.

De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 135,97

- griffierecht € 87,00

- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)

- nakosten € 135,00

Totaal € 899,87

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5. Beslissing

De kantonrechter

in het incident tot afgifte van het intakeformulier

wijst de vordering van Dexia af,

veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisende partij] , tot op heden begroot op € 82,00,

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [contractnummer] en [contractnummer] onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld en dat ten aanzien van deze overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last;

verklaart voor recht dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

veroordeelt Dexia om aan [eisende partij] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover één en ander zoals weergegeven in r.o. 4. 13. en 4.29. en volgende,

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 899,97 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisende partij] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?