uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.T. Leigh),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Na herbeoordeling van de toeslagjaren 2008 en 2009 is aan eiser een compensatiebedrag van
€ 45.230,- toegekend (de definitieve compensatiebeschikking).
2. Volgens eiser is de werkelijke schade die hij heeft geleden hoger dan het compensatiebedrag. Hij heeft daarom op 17 juni 2021 een verzoek ingediend voor aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade. Hij verzoekt daarin om een aanvullende compensatie voor reiskosten, inkomensschade, vermogensschade en financiële ondersteuning door gemeente, school of door een andere derde.
3. De Commissie Werkelijke Schade (CWS) heeft het verzoek van eiser beoordeeld en heeft aan de Dienst Toeslagen op 22 maart 2022 geadviseerd geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen. Met het besluit van 15 april 2022 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen geen aanvullende schadevergoeding toegekend aan eiser onder verwijzing naar en conform het advies van de CWS. Eiser heeft op 26 mei 2022 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 16 augustus 2023 heeft de CWS een aanvullend advies uitgebracht op basis van het verfijnde beleidskader.
4. Met het besluit van 26 juli 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft de Dienst Toeslagen het advies van 4 juli 2024 van de Bezwaarschriften Adviescommissie (BAC) en de daarin gegeven motivering gedeeltelijk gevolgd, het bezwaar gegrond verklaard en een extra schadevergoeding toegekend van € 17.928,-.
5. Eiser heeft op 3 september 2024 beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser van 26 mei 2022. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
6. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestreden besluit pas voor het eerst heeft ontvangen op 23 september 2024, nadat de rechtbank het had doorgestuurd.
9. Uit het verweerschrift van de Dienst Toeslagen volgt dat de Dienst Toeslagen niet kan aantonen dat het bestreden besluit eerder aan eiser is verstuurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser pas op 23 september 2024 het bestreden besluit heeft ontvangen en dat het beroep niet tijdig beslissen van 3 september 2024 terecht is ingediend.
10. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het bestreden besluit
11. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het eerder ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van rechtswege betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit.
12. De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het verzoek van eiser om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade deels toegekend, namelijk tot een bedrag van € 17.928,-. De vergoeding heeft betrekking op twee schadecomponenten: het voeren van de procedure bij de CWS en immateriële schade. De gevraagde compensatie voor inkomensschade, vermogensschade en financiële ondersteuning door gemeente, school of een andere derde is afgewezen.
De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft vastgesteld op € 17.928,-.
Wat voert eiser aan in beroep?
13. Eiser voert allereerst aan dat de rechtbank rekening moet houden met het feit dat het van meet af aan de bedoeling is geweest om niet meer te vragen dan aannemelijkheid van de standpunten die ten grondslag liggen aan het verzoek om (aanvullende) schade. In het kader van deze aannemelijkheid voert eiser verder aan dat de Dienst Toeslagen haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.
Door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag in 2009 is een grote schuld ontstaan die op korte termijn terugbetaald moest worden. Dat heeft uiteindelijk geleid tot loonbeslagen. Dat is voor [bedrijf] , de voormalige werkgever van eiser, de directe aanleiding geweest om het dienstverband te beëindigen. Eiser meent dat de loonbeslagen een causaal verband hebben met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Eiser heeft gepoogd zo inzichtelijk mogelijk te maken dat het verlies van zijn dienstbetrekking vrijwel direct na de eerste handelingen vanuit de Belastingdienst is gevolgd. Daarop is een grote schuldenlast ontstaan, en daarna begint het verval van eiser. Eiser meent om die reden dat de Dienst Toeslagen haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd omdat hij wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verlies van zijn dienstbetrekking het gevolg is van het handelen van de Belastingdienst. Eiser verwijst naar een uitspraak van 16 december 2024 van de rechtbank Amsterdam waaruit volgens hem blijkt dat het voor het vaststellen van het causale verband niet relevant is dat de terugvorderingen pas in 2011 hebben plaatsgevonden.
Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat in het bestreden besluit volledig onderbelicht blijft dat eiser na het verlies van zijn baan met persoonlijke problematiek heeft gekampt. Die problematiek heeft er onder meer toe geleid dat hij in 2012 is vertrokken uit zijn woning en dat hij is gescheiden. Hij is dakloos geweest, heeft te kampen gehad met een alcoholverslaving en zelfmoordgedachten. Dat brengt met zich mee, als het standpunt dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn dienstbetrekking bij [bedrijf] is verloren als gevolg van het handelen van de Belastingdienst niet wordt gevolgd, dat de inkomensschade van 2012 tot en met 2019 wel voor toekenning in aanmerking komt. Omdat aan dat standpunt geheel voorbij is gegaan, is volgens eiser het bestreden besluit op dat onderdeel onvoldoende gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
14. Als een gedupeerde aanvrager meer schade heeft geleden dan op grond van de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag is toegekend, heeft de aanvrager aanspraak op een aanvullende schadevergoeding. De aanvrager van aanvullende compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. De Dienst Toeslagen moet bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen verweerder en de aanvrager in geschil is.
15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog, dat de Dienst Toeslagen verdere compensatie moet toekennen voor inkomensschade. In 2009, het jaar waarin [bedrijf] de arbeidsovereenkomst met eiser niet verlengde, en ook in 2010, vond geen enkele terugvordering of verrekening van kinderopvangtoeslag plaats. Nu de eerste terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag pas eind 2011 werden geëffectueerd en de door eiser voor het ontslag genoemde loonbeslagen in 2009 plaatsvonden ontbreekt het verband tussen de inkomensterugval en de kinderopvangtoeslag. Dat is dus anders dan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waar eiser op heeft gewezen. In dat geval hadden al wel terugvorderingen plaatsgevonden toen de betrokkene in die zaak met zijn studie stopte.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat hij in elk geval voor de jaren 2012 tot en met 2019 gecompenseerd dient te worden omdat hij als gevolg van zijn alcoholverslaving niet kon werken en deze verslaving voortkwam uit de problemen die eiser ondervond vanwege de terugvorderingen. Eiser heeft op het verzoekformulier aangegeven dat hij door zijn alcoholproblematiek sinds 2009 niet in staat is te werken. Het gemis aan inkomen uit arbeid kan ook daarom niet worden toegerekend aan de gevolgen van de verrekende kinderopvangtoeslag.
16. De rechtbank heeft er oog voor dat eiser als gedupeerde een moeilijke periode heeft doorgemaakt en veel doorzettingsvermogen heeft moeten opbrengen. Er is echter onvoldoende grondslag om de Dienst Toeslagen tot een hogere schadevergoeding te verplichten dan in het bestreden besluit is toegekend.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding de Dienst Toeslagen te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft immers terecht beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit. De proceskostenvergoeding wordt berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het indienen van het beroepschrift door een gemachtigde levert 1 punt op en de rechtbank hanteert bij dit soort beroepszaken een wegingsfactor van 0,5. Dit levert een proceskostenvergoeding op van € 453,50.
18. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ten laste van de Dienst Toeslagen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.