uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1. Eiseres heeft zich op 21 maart 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen deze aanvraag heeft mogen afwijzen omdat hij te laat was ingediend.
Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 10 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
2. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat deze is ingediend na 31 december 2023. Dat was de uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend. Indien er sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, kan van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. In gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zal door Dienst Toeslagen worden gekeken of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 21 maart 2024. Dat is te laat. Volgens de Dienst Toeslagen is ook geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding die maakt dat de aanvraag van eiseres toch in behandeling moet worden genomen. De rechtbank is dat met de Dienst Toeslagen eens.
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft meerdere uitspraken gedaan over de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule sprake moet zijn van schrijnende omstandigheden waarbij kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiƫle nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
5. De rechtbank ziet geen reden om in zaken zoals deze, waarin het gaat om een te late aanmelding, anders aan te kijken tegen de toepassing van de hardheidsclausule. Dat betekent dat de aanvrager voldoende aannemelijk moet maken dat hij zich tijdens de aanvraagperiode in een dermate schrijnende situatie bevond dat hij daardoor geen aanvraag kon indienen.
Eiseres voert aan dat zij niet op de hoogte was van de uiterste datum waarop zij zich kon aanmelden. Zij heeft meerdere keren geprobeerd zich aan te melden. Eiseres was bovendien niet in staat zich eerder te melden voor de herbeoordeling vanwege ziekte en persoonlijke omstandigheden. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat ze zich vanaf januari 2024 ziek heeft gemeld bij haar werkgever en dat zij vanaf juni 2025 via het UWV een uitkering krijgt op grond van de Ziektewet. Ze heeft op de zitting aangeboden daarvan stukken te overleggen. Daarnaast had zij te weinig energie als gevolg van de kinderopvangtoeslag.
6. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres niet op de hoogte was van de mogelijkheid om compensatie aan te vragen en dat hieraan een termijn was verbonden, niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt en daardoor niet leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding. De mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van de burger gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich tot 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon. Verder heeft eiseres niet met documenten aangetoond dat zij wegens ziekte niet in staat was om zich op tijd aan te melden. Dat zij zich per januari 2024 ziek heeft gemeld bij haar werkgever en sinds juni 2025 een uitkering krijgt van het UWV leidt niet tot een ander oordeel, omdat de aanmeldtermijn op dat moment al was verstreken. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in de stellingen dat eiseres niet op de hoogte was en dat zij zich na de aanmeldtermijn ziek heeft gemeld, geen grond voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen dit als bijzondere omstandigheden had moeten aanmerken.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in het geval van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.