ECLI:NL:RBMNE:2025:7001

ECLI:NL:RBMNE:2025:7001, Rechtbank Midden-Nederland, 24-12-2025, 16.097704-24 (ontneming) (P)

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer 16.097704-24 (ontneming) (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Volgt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.097704-24 (ontneming) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 december 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

hierna te noemen: [veroordeelde] .

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. M. Mahmoudi en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsman mr. R.J. Balkenende, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van:

- de stukken behorende tot het dossier in de ontnemingszaak met parketnummer 16.097704-24;

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16.097704-24.

2. VORDERING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 31 juli 2025 gevorderd dat de rechtbank:

het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en

aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dit voordeel.

Bij deze vordering is het voordeel door de officier van justitie geschat op een bedrag van € 10.216,64.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 10 december 2025 de vordering gewijzigd naar een bedrag van € 5.108,32. Het bedrag van de oorspronkelijke vordering was gelijk aan het bedrag dat volgens het ontnemingsrapport door [veroordeelde] en medeveroordeelde [medeveroordeelde] (hierna: [medeveroordeelde] ) samen was verdiend. De officier van justitie heeft aangevoerd dat daarvan de helft aan [veroordeelde] moet worden toegerekend en daarom heeft zij de vordering overeenkomstig gewijzigd.

Verder heeft de officier van justitie – als reactie op de standpunten van de verdediging – aangevoerd dat op het bedrag van € 5.108,32 nog twee correcties moeten worden gemaakt. In het ontnemingsrapport is ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] de door hen op 20 maart 2024 ingekochte pallet met 162 lachgasflessen hebben verkocht, maar dat is volgens de officier van justitie niet aannemelijk. Verder is in het ontnemingsrapport geen rekening gehouden met door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] gemaakte brandstofkosten, terwijl het volgens de officier van justitie wel aannemelijk is dat zij die kosten hebben gemaakt.

De officier van justitie heeft over de betalingsverplichting aan de staat aangevoerd dat er geen aanleiding bestaat om het bedrag daarvan lager vast te stellen dan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting vast te stellen op € 112,88. De raadsman heeft hiervoor aangevoerd dat de berekening uit het ontnemingsrapport voor een deel is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Volgens de raadsman moet niet worden uitgegaan van de verkoop van 15 pallets, maar van 14 pallets. De reden hiervoor is dat de pallet die [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 20 maart 2024 hebben ingekocht nog diezelfde dag in beslag is genomen door de politie. Deze pallet hebben zij dus niet verkocht.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat niet moet worden uitgegaan van een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles, maar van € 31,- per lachgasfles. Volgens de raadsman was sprake van wisselende verkoopprijzen. Het bedrag van € 31,- is een middenweg.

De huurkosten van bestelbussen waren volgens de raadsman hoger dan het bedrag waarvan in het ontnemingsrapport is uitgegaan. De reden hiervoor is dat onvoldoende rekening is gehouden met de huurkosten van de Fiat Ducato. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben voor die bestelbus een bedrag betaald van € 2.205,03 (inclusief borg). Volgens de raadsman moet bij de berekening van de huurkosten rekening worden gehouden met dit volledige bedrag.

Ook heeft de raadsman aangevoerd dat in het ontnemingsrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met brandstofkosten voor het ophalen van het ingekochte lachgas. Volgens de raadsman waren die kosten ongeveer € 60,- per keer.

3. BEOORDELING VAN DE VORDERING

Wettelijk kader

Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd om een geldbedrag aan de staat te betalen ter hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 36e Sr heeft een herstellend karakter. Dit betekent dat de ontnemingsmaatregel de veroordeelde beoogt te brengen in de vermogenspositie waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij voordeel heeft verkregen. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet dus worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald.

De rechtbank heeft volgens vaste rechtspraak bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een grote mate van beoordelingsvrijheid. De toets die de rechtbank moet hanteren is die van “aannemelijkheid”. Dat betekent dat de rechtbank zich de vraag moet stellen of het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

De grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van 15 januari 2025 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd, en

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met

het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

in de periode van 12 januari 2024 tot en met 20 maart 2024.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is de veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die [veroordeelde] heeft begaan en strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat [veroordeelde] deze heeft begaan (artikel 36e lid 2 Sr).

Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, voldoende aannemelijk is geworden dat [veroordeelde] uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Voor de berekening van de opbrengsten en de kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.

Periode

In het vonnis van 15 januari 2025 is bewezen verklaard dat [veroordeelde] in de periode van 12 januari 2024 tot en met 20 maart 2024 heeft gehandeld in lachgas. Deze periode wijkt af van de periode die staat genoemd in het ontnemingsrapport. In dat rapport wordt ervan uitgegaan dat de handel heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2024 tot en met 20 maart 2024.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om uit te gaan van de eerdere startdatum van de handel zoals genoemd in het ontnemingsrapport. De rechtbank zal daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de bewezen verklaarde periode uit het vonnis (hierna: de ontnemingsperiode). De rechtbank merkt hierbij op dat dit, zoals hierna zal blijken, geen verschil maakt voor de uitkomst van de berekening.

Aantal ingekochte lachgasflessen

3.3.2.1 Aantal ingekochte pallets

In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in totaal 13 keer een hoeveelheid lachgas hebben ingekocht. Dit is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek aan de telefoon van [veroordeelde] . Op de telefoon stonden chatgesprekken met een contact genaamd [A] . Uit de chatgesprekken volgt dat [A] een leverancier was van lachgas die leverde vanuit Emmerich (Duitsland) en Rotterdam. Op basis van de chatgesprekken heeft de politie de volgende conclusies getrokken over de inkoop van lachgas door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] bij [A] :

‘- 16 januari 2024 2 pallets gekocht in Duitsland.

- 23 januari 2024 2 pallets en 50 a 80 losse stuks gekocht in Duitsland.

- 26 januari 2024 1 pallet gekocht in Duitsland.

- 29 januari 2024 onbekende hoeveelheid van “Cream” lachgas gekocht in Rotterdam.

- 6 februari 2024 1 pallet gekocht in Duitsland.

- 12 februari 2024, 1 a 2 pallets gekocht in Duitsland.

- 16 februari 2024, 1 pallet + 90 stuks los gekocht in Duitsland.

- 20 februari 2024, 1 pallet + 65 stuks los. Gekocht in Duitsland.

- 27 februari 2024, 1 pallet gekocht in Duitsland.

- 2 maart 2023 (de rechtbank begrijpt: 2024), 2 pallets gekocht in Duitsland.

- 9 maart 2024 1 pallet gekocht Duitsland.

- 13 maart 2024, onbekende hoeveelheid gekocht in Duitsland.

- 20 maart 2024, 1 pallet gekocht in Duitsland.’

In het ontnemingsrapport is vervolgens voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de inkoop van in totaal 15 pallets. Volgens het rapport staat op basis van de bevindingen van de politie namelijk vast dat in ieder geval 14 pallets zijn ingekocht. In aanvulling hierop is – voor de inkoopdata waarbij onduidelijkheid bestaat over de ingekochte hoeveelheid – ervoor gekozen om uit te gaan van de inkoop van 1 extra pallet.

De rechtbank is van oordeel dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de inkoop van in totaal 17 pallets. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de politie gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de periode van 16 januari 2024 tot en met 20 maart 2024 16 pallets hebben ingekocht. Voor zover de politie op basis van de chatgesprekken heeft kunnen vaststellen welke hoeveelheid op bepaalde data is ingekocht, neemt de rechtbank die vastgestelde hoeveelheid over. Voor zover de ingekochte hoeveelheid voor een aantal data niet kon worden vastgesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat op die data steeds in ieder geval 1 pallet is ingekocht. Zoals volgt uit de bevindingen over de andere inkoopdata, was dat namelijk het minimale aantal dat door [medeveroordeelde] en [veroordeelde] per keer werd ingekocht. Verder is het aannemelijk dat zij uitsluitend voor de inkoop van lachgas naar Duitsland of Rotterdam gingen. Weliswaar heeft [veroordeelde] op de terechtzitting verklaard dat hij ook wel eens naar Duitsland ging om een lege pallet om te ruilen of voor een gesprek met de leverancier, maar voor dat standpunt ontbreekt enige onderbouwing.

De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de voornoemde periode echter uit van de inkoop van 15 pallets (en dus niet van 16 pallets). De reden hiervoor is dat de rechtbank geen rekening houdt met de pallet die door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 20 maart 2024 is ingekocht. Uit het dossier volgt namelijk dat het aannemelijk is dat die pallet door de politie in beslag is genomen. Dit betekent dat ervan uit kan worden gegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] de pallet niet hebben verkocht. Zij hebben daar dus geen opbrengsten uit ontvangen. Weliswaar hebben [veroordeelde] en [medeveroordeelde] kosten gemaakt voor de inkoop van deze pallet, maar het is vaste rechtspraak dat die kosten niet worden meegerekend omdat hieruit geen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen. De rechtbank laat deze pallet daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing.

De rechtbank is verder van oordeel dat het aannemelijk is dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 12 januari 2024 voor het eerst 2 pallets hebben ingekocht. Uit de chatgesprekken met [A] volgt namelijk dat [veroordeelde] op die datum voor de inkoop hiervan naar Duitsland is gegaan. In het ontnemingsrapport is ten onrechte geen rekening gehouden met deze inkoop.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat in de ontnemingsperiode in totaal (15 + 2 =) 17 pallets zijn ingekocht.

3.3.2.2 Aantal lachgasflessen per pallet

In navolging van het ontnemingsrapport is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat elke pallet steeds 162 lachgasflessen bevatte. Zoals ook genoemd in het rapport, volgt dit uit notities die zijn aangetroffen op de telefoon van [veroordeelde] . Verder heeft [veroordeelde] op de terechtzitting verklaard dat dit aantal klopt.

3.3.2.3 Losse lachgasflessen

In het hiervoor weergegeven overzicht van de politie staat dat op meerdere data – naast pallets – ook een hoeveelheid losse lachgasflessen is ingekocht. Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] ontkent dat er losse flessen zijn ingekocht. De rechtbank zal, in het voordeel van [veroordeelde] , deze flessen buiten beschouwing laten.

3.3.2.4 Conclusie

De rechtbank gaat op basis van het voorgaande ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode in totaal (162 x 17 =) 2.754 lachgasflessen hebben ingekocht.

Bruto opbrengst verkoop lachgasflessen

3.3.3.1 Aantal verkochte lachgasflessen

In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] alle ingekochte lachgasflessen hebben verkocht. De rechtbank neemt dit uitgangspunt over. Zoals hiervoor toegelicht, laat de rechtbank de op 20 maart 2024 ingekochte pallet buiten beschouwing. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in totaal 2.754 lachgasflessen hebben verkocht.

3.3.3.2. Verkoopprijs per lachgasfles

In het ontnemingsrapport is uitgegaan van een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles. De rechtbank neemt dit uitgangspunt over. Uit documenten die zijn aangetroffen op de telefoon van [veroordeelde] volgen berekeningen met verkoopprijzen die zijn gelegen tussen de € 28,- en € 34,- per lachgasfles. Hierbij is de prijs steeds afhankelijk gemaakt van de afgenomen hoeveelheid. Verder volgt uit chatgesprekken die op deze telefoon zijn aangetroffen dat een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles het vaakst voorkwam bij transacties. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben met deze verkoopprijs ook geadverteerd door middel van een verkoopflyer. De rechtbank is daarom van oordeel dat het redelijk en passend is om een verkoopprijs van € 32,- per lachglasfles tot uitgangspunt te nemen.

3.3.3.3. Conclusie

Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat in de ontnemingsperiode sprake is geweest van een totale bruto opbrengst van (€ 32,- x 2.754 =) € 88.128,-.

Kosten

3.3.4.1. Kosten inkoop lachgasflessen

In het ontnemingsrapport is rekening gehouden met de inkoopkosten van het lachgas. De rechtbank zal ook met die kosten rekening gehouden. Zoals hiervoor toegelicht, gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode in totaal 2.754 lachgasflessen hebben ingekocht. In het ontnemingsrapport wordt gerekend met een inkoopprijs van € 27,- per lachgasfles. Volgens het rapport kochten [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor dit bedrag lachgasflessen bij hun leverancier [A] en zou in het onderzoek niet zijn gebleken van een andere inkoopprijs. Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] verklaard dat deze inkoopprijs klopt. De rechtbank gaat daarom ook uit van een inkoopprijs van € 27,- per lachgasfles.

In navolging hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode voor het inkopen van lachgas in totaal een bedrag hebben betaald van (€ 27,- x 2.754 =) € 74.358,-.

3.3.4.2. Huurkosten bestelbussen

Het is gebleken dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode kosten hebben gemaakt voor het huren van bestelbussen om het ingekochte lachgas op te halen. Op de telefoon van [veroordeelde] zijn namelijk voor een aantal inkoopdata huurfacturen aangetroffen. In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 13 verschillende data lachgas hebben ingekocht. Volgens het rapport hebben zij daarom op al die data een bestelbus gehuurd om het lachgas op te halen.

Zoals hiervoor toegelicht, gaat de rechtbank er ook van uit dat sprake is geweest van 13 verschillende inkoopdata. Weliswaar laat de rechtbank de inkoop van 20 maart 2024 buiten beschouwing, maar in aanvulling op het ontnemingsrapport wordt ook de inkoop van 12 januari 2024 meegerekend. De rechtbank gaat er daarom ook van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode 13 keer kosten hebben gemaakt voor het huren van een bestelbus.

In het ontnemingsrapport is op basis van de hiervoor genoemde facturen een berekening gemaakt van de gemiddelde huurprijs van een bestelbus per keer. Uit die berekening volgt een gemiddelde huurprijs van € 148,72. De rechtbank is van oordeel dat deze huurprijs voor de eerste 11 inkoopdata redelijk en passend is. Dat zijn de inkoopdata in de periode van 12 januari 2024 tot en met 3 maart 2024. Dit betekent dat voor deze periode wordt uitgegaan van een bedrag van (€ 148,72 x 11=) € 1.635,92 aan huurkosten.

Voor de huurkosten in de periode daarna merkt de rechtbank het volgende op. Uit een huurovereenkomst in het dossier volgt dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor de periode van 6 maart 2024 tot en met 31 maart 2024 een bestelbus hebben gehuurd, te weten een Fiat Ducato. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben hiervoor bij vooruitbetaling een bedrag voldaan van € 2.205,03 (inclusief borg). De verdediging heeft aangevoerd dat de borg na de huurperiode niet is terugbetaald. De rechtbank is van oordeel dat dit aannemelijk is, omdat de bestelbus op 20 maart 2024 door de politie in beslag is genomen.

Gelet op de huurperiode gaat de rechtbank ervan uit dat deze bestelbus is gebruikt voor het ophalen van het ingekochte lachgas op 9 maart 2024, 13 maart 2024 en 20 maart 2024. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat het de bedoeling was om de bestelbus ná 20 maart 2024 nog één keer te gebruiken voor het ophalen van een hoeveelheid lachgas. Dit baseert de rechtbank op de frequentie van de ritten.

Op basis van deze uitgangspunten is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en passend is om voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met een bedrag van (€ 2.205,03 / 2 =) € 1.102,52 aan kosten. Zoals hiervoor toegelicht, houdt de rechtbank alleen rekening met kosten voor zover daar wederrechtelijk verkregen voordeel tegenover staat. In dit geval is het zo dat ervan uit kan worden gegaan dat de hoeveelheden lachgas die op 9 maart 2024 en 13 maart 2024 zijn ingekocht tot wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid. Zoals hiervoor ook toegelicht, is het aannemelijk dat dit niet het geval is voor het lachgas dat op 20 maart 2024 is ingekocht. En omdat op die datum de bestelbus in beslag is genomen, is deze daarna niet meer gebruikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat voor de helft van het aantal (geplande) ritten voor de inkoop van lachgas sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank houdt daarom rekening met de helft van de totale kosten van deze bestelbus.

In navolging hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor het huren van bestelbussen een totaalbedrag aan kosten hebben gemaakt van (€ 1.635,92 + € 1.102,52 =) € 2.738,44.

3.3.4.3 Brandstofkosten

In het ontnemingsrapport is geen rekening gehouden met brandstofkosten die [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat hier wel rekening mee moet worden gehouden. Weliswaar bevat het dossier geen onderbouwing van deze kosten, maar het is aannemelijk dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] bij het ophalen van het ingekochte lachgas met de bestelbussen ook steeds kosten voor benzine hebben gemaakt. Verder is van belang dat de verdediging heeft aangevoerd dat per keer dat lachgas werd opgehaald een bedrag van ongeveer € 60,- aan benzine is besteed. De rechtbank komt dit bedrag aannemelijk voor en de officier van justitie heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal daarom dit bedrag tot uitgangspunt nemen.

Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor brandstofkosten in totaal een bedrag van (€ 60,- x 13 =) € 780,- hebben betaald.

3.3.4.4. Conclusie

De rechtbank houdt op basis van het voorgaande voor de ontnemingsperiode rekening met een totaalbedrag aan kosten van (€ 74.358 + € 2.738,44 + € 780,- =) € 77.876,44.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt in navolging hiervan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op:

Bruto opbrengst verkoop lachgasflessen € 88.128,-.

Kosten € 77.876,44 -/-

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.251,56.

Toerekening van het voordeel

De rechtbank heeft [veroordeelde] in het voornoemde strafvonnis – kort gezegd – veroordeeld voor het medeplegen van het handelen in lachgas. [veroordeelde] heeft namelijk met een ander, te weten [medeveroordeelde] , het lachgas verhandeld. Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] verklaard dat de opbrengsten en de kosten van de handel tussen hem en [medeveroordeelde] gelijk werden verdeeld. Op de terechtzitting is [medeveroordeelde] als getuige gehoord en die heeft over de verdeling hetzelfde verklaard.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] het hiervoor genoemde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk hebben verdeeld. Gelet hierop zal de rechtbank dit bedrag voor de helft aan [veroordeelde] toerekenen. De rechtbank stelt daarom het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 5.125,78.

Betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om het bedrag van de betalingsverplichting aan de staat lager vast te stellen dan het bedrag van het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelt daarom het bedrag dat door [veroordeelde] moet worden betaald aan de staat, vast op € 5.125,78.

Gijzeling

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e lid 11 Sr zal de rechtbank bij het opleggen van de maatregel de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten hoogste kan worden gevorderd. Met inachtneming van de oriëntatiepunten van de LOVS voor straftoemeting zal de rechtbank voor elke volle € 50,- van het opgelegde ontnemingsbedrag één dag gijzeling rekenen.

4. TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5. BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.125,78;

- legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 5.125,78 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 102 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. F.R. Horst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?