RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11967607 \ UV EXPL 25-289 VL/58599
Vonnis van 16 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [onderbewindgestelde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer,
tegen
STICHTING OMTHUIS,
gevestigd te Leusden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting Omthuis,
gemachtigde: mr. M. van den Oord.
1. De procedure
[eiseres] heeft Omthuis op 19 november 2025 in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. Voor de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aanvullende producties overgelegd en heeft Omthuis een conclusie van antwoord ingediend.
De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. [A] , een vriendin van mevrouw [onderbewindgestelde] , was aanwezig. Ook mr. Thiescheffer was aanwezig. Namens Omthuis waren mevrouw [B] en mevrouw [C] , beiden woonconsulent, aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Van den Oord. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
Mevrouw [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) is in het voorjaar van 2023 ingetrokken bij de heer [D] (hierna: [D] ) aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). [D] huurde de woning van Omthuis. Op [overlijdensdatum] 2025 is [D] plotseling overleden, waarna [onderbewindgestelde] de woning heeft ontruimd en verlaten. Zij wil echter terug in de woning, omdat zij van mening is dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met [D] . En als zij niet terug kan in deze woning, dan wil zij dat Omthuis haar vervangende woonruimte aanbiedt. Omthuis is het hier niet mee eens, omdat [onderbewindgestelde] er zelf voor heeft gekozen de woning te verlaten en er inmiddels al een nieuwe huurder in zit. Daarnaast betwist Omthuis dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Omdat [onderbewindgestelde] onder bewind staat, is niet zijzelf, maar haar bewindvoerder partij in deze procedure. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af.
3. De beoordeling
Wettelijke kader in kort geding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Als aan één van de twee niet wordt voldaan wordt de vordering afgewezen.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Het is nu niet duidelijk waar [onderbewindgestelde] precies verblijft en of zij een dak boven haar hoofd heeft. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven. De kantonrechter zal de vorderingen daarom inhoudelijk beoordelen.
[onderbewindgestelde] kan niet terug naar de woning
Primair vordert [eiseres] dat Omthuis wordt verplicht om [onderbewindgestelde] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis toegang te verlenen tot de woning, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Deze vordering zal worden afgewezen. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.
Het is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat Omthuis aan [onderbewindgestelde] toegang moet verschaffen tot de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat Omthuis de woning inmiddels al heeft verhuurd aan een andere huurder. Omthuis kan dat op dit moment niet terugdraaien. Deze nieuwe huurder geniet huurbescherming en Omthuis kan hem/haar niet dwingen om de woning te verlaten.
[eiseres] heeft aangevoerd dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het feit dat Omthuis een nieuwe huurovereenkomst is aangegaan op het moment dat haar inmiddels bekend was dat [onderbewindgestelde] een beroep wilde doen op de regeling van artikel 7:268 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat dat het geval is, staat tussen partijen niet ter discussie. Maar het neemt niet weg dat er inmiddels een andere huurder in het gehuurde zit, en Omthuis dus niet kan voldoen aan hetgeen primair gevorderd wordt. Omthuis zou hooguit – als zou komen vast te staan dat [onderbewindgestelde] het recht heeft om de huur van de woning voort te zetten – de schade moeten vergoeden die [onderbewindgestelde] lijdt doordat zij niet terug kan naar de woning. Bij de beoordeling daarvan zal overigens ook moeten worden meegewogen dat [onderbewindgestelde] de woning zelf heeft verlaten en pas in een later stadium (toen Omthuis de woning al uitgebreid had verbouwd) een beroep op artikel 7:268 BW. Om de hiervoor genoemde redenen zal de primaire vordering worden afgewezen.
Omthuis hoeft geen vervangende woonruimte aan te bieden
Ter zitting heeft [eiseres] haar eis schriftelijk gewijzigd en heeft zij subsidiair gevorderd dat Omthuis aan [onderbewindgestelde] vergelijkbare vervangende woonruimte moet aanbieden tot het moment dat uitspraak wordt gedaan in een bodemprocedure, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Omthuis heeft tijdens de zitting verklaard dat zij zich niet verzet tegen de eiswijziging als zodanig, maar dat zij wel vindt dat deze ook moet worden afgewezen.
Ook de subsidiaire vordering zal worden afgewezen, omdat [eiseres] hiervoor geen juridische grondslag heeft aangevoerd. Artikel 7:268 BW biedt in ieder geval geen grondslag voor het verblijven in andere woonruimte dan de woonruimte waarvan [onderbewindgestelde] stelt dat zij daar een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Alleen al om die reden is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Omthuis aan [onderbewindgestelde] vervangende woonruimte zal moeten aanbieden.
Ten overvloede: duurzame gemeenschappelijke huishouding niet aannemelijk
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het voorshands niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [eiseres] een beroep toekomt op artikel 7:268 BW. Omthuis heeft betwist dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en dat [onderbewindgestelde] voldoende financiële waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurbetalingsverplichting. Zij heeft gesteld dat [D] [onderbewindgestelde] onderdak heeft geboden op een moment dat zij dreigde op straat te komen staan en dat het altijd de bedoeling is geweest dat dat tijdelijk zou zijn. Dat blijkt volgens Omthuis ook uit de brief van 1 augustus 2023, waarin dat expliciet staat. Verder stelt Omthuis dat [D] al langer wilde dat [onderbewindgestelde] zijn huis zou verlaten, omdat de samenleving niet goed verliep en [onderbewindgestelde] [D] zou mishandelen. [onderbewindgestelde] / [eiseres] heeft hiertegenover nauwelijks onderbouwing gegeven voor haar stelling dat er sprake zou zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, noch dat zij in staat is de huur te betalen.
Daarnaast heeft Omthuis, toen [D] op [overlijdensdatum] 2025 was overleden, [onderbewindgestelde] er bij brief van 31 juli 2025 op gewezen dat zij een beroep op artikel 7:268 BW zou kunnen doen als zij meende dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijk huishouding. [onderbewindgestelde] heeft daar op dat moment echter geen beroep op gedaan. Zij heeft in september 2025 de woning verlaten en de sleutels aan Omthuis afgegeven en is vervolgens bij een man in [plaats] gaan wonen. [eiseres] heeft hier kennelijk mee ingestemd, zo blijkt uit de e-mail van 8 september 2025 van mevrouw [E] , werkzaam bij [eiseres] , aan de gemeente Baarn en aan Omthuis, waarin onder meer staat:
“Het is zorgelijk, wij hebben die man (de man bij wie [onderbewindgestelde] in [plaats] is gaan wonen, toevoeging door de kantonrechter) inderdaad een keer telefonisch 5 minuten gesproken.
De naam is nooit eerder genoemd en niet bekend bij ons. De angst vanuit ons dat [onderbewindgestelde] opnieuw in dezelfde situatie beland maar helaas hebben wij daar geen zicht op. Het blijft haar keuze (onderstreping door de kantonrechter)”.
Ook vanwege deze omstandigheden is maar zeer de vraag of in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [onderbewindgestelde] eind oktober 2025 nog een beroep toekwam op artikel 7:268 BW.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Omthuis worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
De kantonrechter zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter, optredend als voorzieningenrechter,
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.