RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11783911 \ MC EXPL 25-3872 AW/1583
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de repliek van [handelsnaam] , maar dat heeft hij niet gedaan.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft op 29 september 2021 goederen gekocht bij [website] .com. Hij heeft er daarbij voor gekozen om achteraf te betalen. [website] .com heeft het recht om de koopprijs te eisen verkocht aan (de rechtsvoorganger van) [handelsnaam] . Volgens [handelsnaam] heeft [gedaagde] de koopprijs van € 184,89 niet voldaan. Zij eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om dit te betalen vermeerderd met rente en incassokosten. De eis wordt afgewezen omdat die is verjaard.
3. De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlandse recht is van toepassing
[handelsnaam] is een rechtspersoon naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. [gedaagde] woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is.
De eis wordt afgewezen omdat die is verjaard
De eis van [handelsnaam] wordt afgewezen, omdat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat die eis verjaard is. De overeenkomst tussen [website] .com en [gedaagde] is namelijk een consumentenkoopovereenkomst (artikel 7:5 lid 1 onder a BW). Dat schrijft [handelsnaam] ook zelf in de dagvaarding en haar conclusie van repliek. Bij zo’n overeenkomst verjaart de eis om de koopprijs te betalen na twee jaar (artikel 7:28 BW). Deze verjaring kan echter worden gestuit door het instellen van een eis of iedere andere daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 lid 1 BW) of door een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). De aanmaning of schriftelijke mededeling moet, om haar werking te hebben, die persoon ook hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). [gedaagde] heeft bij zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat hij na de factuur van 29 september 2021 tot 6 juni 2025 nooit een aanmaning of herinnering heeft ontvangen. [handelsnaam] heeft daarop bij conclusie van repliek aangevoerd dat zij meerdere betalingsherinneringen en e-mails naar [gedaagde] heeft gestuurd. [gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door [handelsnaam] overgelegde brieven en e-mails en ook dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Uit de door [handelsnaam] overgelegde stukken moet echter worden opgemaakt dat er op 7 februari 2022 een brief naar [gedaagde] is gestuurd en dat het vervolgens stil blijft totdat zij op 14 mei 2024 aan [gedaagde] een e-mail stuurt. Tussen de brief en de e-mail is meer dan twee jaar verstreken waardoor de verjaringstermijn niet langer tijdig is gestuit. Dat betekent dat de eis sinds 8 februari 2024 is verjaard (artikel 3:319 BW).
[handelsnaam] heeft verder nog gesteld dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Dit slaagt niet omdat voor zover [gedaagde] al is verrijkt dit wordt gerechtvaardigd doordat de verjaringstermijn van toepassing is en overigens deze grondslag niet is onderbouwd. Verder is er geen sprake van een onrechtmatige daad waar ook een beroep op is gedaan. Dit is evenmin onderbouwd.
De conclusie van het vorenstaande is dat de vordering moet worden afgewezen.
[handelsnaam] moet de proceskosten betalen
[handelsnaam] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 0,00, aangezien hij zelf (schriftelijk) heeft gereageerd.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [handelsnaam] af,
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 0,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.