RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11922512 \ UE VERZ 25-310 MS/1270
Beschikking van 17 december 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. Brouwer,
tegen
STICHTING [naam stichting],
gevestigd te Zeist,
verwerende partij,
hierna te noemen: [naam stichting] ,
gemachtigde: mr. J.G.M. Rijksen.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoekschrift tot - kort gezegd - vernietiging van een ontslag op staande voet ingediend, dat op 13 oktober 2025 door de griffie is ontvangen. De mondelinge behandeling van dit verzoek zou op 11 december 2025 plaatsvinden.
[verzoeker] heeft de kantonrechter in een e-mail van 27 november 2025 bericht dat hij het verzoekschrift intrekt.
[naam stichting] heeft in een brief van 2 december 2025 laten weten dat zij instemt met intrekking van het verzoekschrift, maar aanspraak maakt op vergoeding van inmiddels gemaakte proceskosten en van eventuele nakosten.
[verzoeker] heeft hier in een e-mail van 2 december 2025 op gereageerd, waarna [naam stichting] in een e-mail van 4 december 2025 nog heeft gereageerd.
De griffier heeft partijen in een e-mail van 8 december 2025 laten weten dat de mondelinge behandeling geen doorgang zal vinden en dat schriftelijk op het verzoek tot vergoeding van de gemaakte proceskosten zal worden beslist.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
[verzoeker] heeft het verzoekschrift ingetrokken, zodat alleen hoeft te worden beslist op de door [naam stichting] verzochte proceskostenveroordeling.
Artikel 1.4.8. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter (hierna: het Procesreglement) bepaalt het volgende:
“Zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist, kan het verzoek worden ingetrokken. Als bij het verweer om een kostenveroordeling is gevraagd en dat verzoek na de intrekking wordt gehandhaafd, beslist de rechter op dat verzoek. (…)”
De kantonrechter stelt vast dat in dit geval niet strikt aan de voorwaarde van artikel 1.4.8 van het Procesreglement is voldaan, omdat [naam stichting] nog geen verweerschrift had ingediend.
Op grond van (de wetsgeschiedenis van) artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter echter ook ambtshalve een proceskostenveroordeling uitspreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervoor voldoende aanleiding. [naam stichting] heeft namelijk gesteld dat zij de kosten voor het opstellen van een verweerschrift al heeft gemaakt, omdat het verzoekschrift een paar dagen voor de uiterste termijn voor indiening van het verweerschrift is ingetrokken. De kantonrechter vindt dit voldoende aannemelijk, omdat het verzoekschrift 14 dagen voor de geplande mondelinge behandeling is ingetrokken en het verweerschrift op grond van artikel 3.3.5 van het Procesreglement uiterlijk 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling moest worden ingediend.
Nu [verzoeker] zijn verzoekschrift om hem moverende redenen heeft ingetrokken, geldt hij als de in het ongelijk gestelde partij en zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam stichting] worden begroot op € 407,00 voor salaris gemachtigde (50% x tarief € 814,00, nu het niet tot een mondelinge behandeling is gekomen) en € 135,00 aan nakosten.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.