RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,
de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/2539 en UTR 24/2540
(gemachtigde: D.A.N. Bartels),
en
Procesverloop
Eiseres heeft op 16 februari 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 14 februari 2024. Bij deze uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. De gemachtigden van eiseres is verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft bij brief van 15 juli 2025 aan de gemachtigde van eiseres gevraagd waarom het griffierecht niet is voldaan. Bij brief van 25 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres verklaard, dat hij de nota niet heeft ontvangen.
3. Bij brief van 16 april 2024 is door de gemachtigde een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Aangezien de gemachtigde namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
4. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij de nota niet heeft ontvangen. Ook heeft hij aangevoerd dat de handtekening die gezet is voor ontvangst van de van de brief niet van hem is.
5. Ter attentie van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij aangetekende brief van 11 mei 2024 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht van € 371,- te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief. Uit de Track & Tracé van PostNL is op te maken dat deze brief op 14 mei 2024 om 08:38 uur voor ontvangst is afgetekend.
6. De rechtbank acht deze toelichting van de gemachtigde van eiseres niet aannemelijk. De rechtbank gaat er daarbij niet aan voorbij dat het haar ambtshalve bekend is dat het geregeld voorkomt dat aangetekende brieven die de rechtbank aan de gemachtigde van eiseres heeft geadresseerd, naar zijn stelling niet door hem in ontvangst zijn genomen. Hoewel bekend is dat de bezorging door PostNL van aangetekende brieven in het algemeen niet altijd vlekkeloos verloopt, acht de rechtbank het wel zeer opmerkelijk dat dit in het geval van de gemachtigde van eiseres dermate geregeld gebeurt. Tevens is het opmerkelijk dat de gemachtigde hierover nimmer om opheldering heeft verzocht bij het servicepunt van PostNL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres dan ook geen voor de hand liggende verklaring gegeven voor het feit dat de brief van 11 mei 2024 kennelijk wel door iemand voor ontvangst is ondertekend, maar dat deze brief vervolgens niet in zijn bezit zou zijn gekomen.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Overschrijding redelijke termijn
8. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Dat is het geval als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
9. De rechtbank stelt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raadvan 14 juni 2024 dat eiseres geen recht heeft op immateriële schadevergoeding, ondanks dat de redelijke termijn met afgerond vijf maanden overschreden is. Het bezwaarschrift gericht aan de beschikking van 25 februari 2023 is namelijk ontvangen op 17 april 2023. Volgens de rechtbank is de bagatelgrens van € 1.000,- van toepassing en wordt deze grens niet gehaald. Daarnaast wijst de rechtbank op overweging 3.3.3 van eerder genoemd arrest waarin staat: “Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.”
10. Uit overweging 3.5 van het arrest volgt dat de weergegeven wijzigingen niet gelden voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep) op de datum van dit arrest is overschreden. (i) Gemachtigde van eiseres heeft in haar bezwaarschrift van 6 april 2023 (door de heffingsambtenaar ontvangen op 17 april 2023) voor het eerst verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. (ii) De redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar, dus op 17 april 2025. Het arrest van de Hoge Raad is van 14 juni 2024. Hieruit volgt dat op de datum van het arrest de redelijke termijn nog niet was overschreden en dat het arrest van toepassing is op deze zaak.
11. Uit het arrest volgt verder dat de bagatelgrens niet meer op € 15,- wordt gesteld, maar op € 1.000,-. De rechtbank moet dan ook vervolgens beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
12. Uit overweging 3.3.3 volgt dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Eiseres heeft in bezwaar noch in beroep een concrete waarde bepleit. Het financiële belang bij de procedure wordt niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Zonder concreet standpunt van eiseres over de waarde van de woningen kan de rechtbank dus niet het financiële belang vaststellen, terwijl het wel op de weg ligt van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, om de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de bagatelgrens van € 1.000, - niet wordt gehaald in deze zaak.
13. De redelijke termijn in deze zaak met 5 maanden overschreden. Uit overweging 3.4.3 van het arrest van het Hoge Raad volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000, - bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit in deze zaak dan ook doen en wijst daarmee het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.