RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/45, UTR 25/4351, UTR 25/4353 t/m UTR 25/4362, UTR 25/4364 t/m UTR 25/4377, UTR 25/4379 t/m UTR 25/4386, UTR 25/4388 t/m UTR 25/4390
(gemachtigde: D.A.N. Bartels),
en
Procesverloop
Eiseres heeft op 27 december 2024, ontvangen door de rechtbank op 3 januari 2025, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 27 december 2024.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. De gemachtigden van eiseres is verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft bij brief van 15 juli 2025 aan de gemachtigde van eiseres gevraagd waarom het griffierecht niet is voldaan. Bij brief van 25 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres verklaard, dat hij de nota niet heeft ontvangen.
3. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting naar voren gebracht, dat hij de nota wel heeft ontvangen en heeft doorgestuurd naar zijn client. Zijn client heeft de nota niet betaald, omdat er als omschrijving adres onbekend stond.
4. De rechtbank ziet hierin geen reden om het griffierecht niet te betalen. Bij brief van
7 januari 2025 heeft de rechtbank de ontvangst bevestigd van het beroepschrift. In die brief zijn de namen van eiseres en verweerder vermeld, alsmede is verwezen naar het bestreden besluit van 27 december 2024. In deze brief heeft de rechtbank verder vermeld “ons kenmerk: zaaknummer UTR 25/45”. In de griffierechtnota en in de herinnering stond ook dit zaaknummer en de naam van partijen vermeldt. Op basis van dit alles is de rechtbank van oordeel dat afdoende duidelijk is op welk beroep en welk object de griffierechtnota betrekking heeft. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota een incomplete vermelding van het adres van de betreffende onroerende zaak heeft. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten. Dat andere rechtbanken mogelijk een andere praktische werkwijze hebben, betekent niet dat deze rechtbank gehouden is deze zonder meer te volgen.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Overschrijding redelijke termijn
6. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken.
In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.
7. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 3 januari 2025. Dat betekent dat sinds het instellen van beroep minder dan anderhalf jaar is verstreken, zodat de rechtbank zich verder niet hoeft uit te laten over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.