RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1634
(gemachtigde: D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 25 februari 2025 heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 4 februari 2025.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. De gemachtigden van eiseres is verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft bij brief van 15 juli 2025 aan de gemachtigde van eiseres gevraagd waarom het griffierecht niet is voldaan. Bij brief van 25 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat hij de nota niet heeft ontvangen.
3. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de handtekening die gezet is voor ontvangst niet van hem is. Ook heeft gemachtigde van eiser aangegeven dat hij op 4 april 2025 niet in Nederland was.
4. Ter attentie van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij aangetekende brief van 2 april 2025 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht van € 385,- te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief. Uit de Track & Tracé van PostNL is op te maken dat deze brief op 4 april 2025 om 13:44 uur voor ontvangst is afgetekend.
De gemachtigde van eiseres heeft gesteld dat hij deze brief desondanks niet heeft ontvangen.
5. De rechtbank acht deze stelling van de gemachtigde van eiseres niet aannemelijk. Als de gemachtigde op 4 april 2025 inderdaad in het buitenland was, dan lag het op zijn weg om die stelling tijdig en met stukken te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. De rechtbank gaat er hierbij ook niet aan voorbij dat het haar ambtshalve bekend is dat het geregeld voorkomt dat aangetekende brieven die de rechtbank aan de gemachtigde van eiseres heeft geadresseerd, naar zijn stelling niet door hem in ontvangst zijn genomen. Hoewel bekend is dat de bezorging door PostNL van aangetekende brieven in het algemeen niet altijd vlekkeloos verloopt, acht de rechtbank het wel zeer opmerkelijk dat dit in het geval van de gemachtigde van eiseres dermate geregeld gebeurt. Tevens is het opmerkelijk dat de gemachtigde hierover nimmer om opheldering heeft verzocht bij het servicepunt van PostNL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres dan ook geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat voor de brief van 2 april 2025 kennelijk wel door iemand voor ontvangst is ondertekend, maar dat deze brief vervolgens niet in zijn bezit zou zijn gekomen.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Overschrijding redelijke termijn
7. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.
8. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 28 februari 2025, toen het beroepschrift door de rechtbank was ontvangen. De rechtbank had binnen anderhalf jaar, dus uiterlijk op 19 augustus 2026 uitspraak moeten doen. De termijn is nog niet verstreken.
9. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.