RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/599761 / FT RK 25/918
uitspraakdatum: 5 december 2025
uitspraak op grond van artikel 288 van de Faillissementswet
(“afwijzing toepassing schuldsanering”)
In de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[woonplaats] ,
hierna: verzoekster.
Waar gaat deze zaak over
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldenlast. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp)).
Dit verzoek wordt afgewezen
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 17 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 19 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- verzoekster,
- [A] , zusje van verzoekster,
- [B] , schuldhupverleenster.
2. De feiten
Verzoekster is op 27 februari 2001 toegelaten tot de Wsnp. Verzoekster heeft destijds niet voldaan aan de afdrachtplicht en de inlichtingenplicht. Daarom is op 14 april 2004 de schuldsanering met een half jaar verlengd.
Op 12 oktober 2004 heeft de eindzitting plaatsgevonden. De bewindvoerder heeft toen geen “schone lei” geadviseerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat deze tekortkoming ook kan worden toegerekend aan verzoekster.
Verzoekster verzoekt opnieuw toegelaten te worden tot de schuldsanering, nu zij nog steeds schulden heeft. Deze schuldenlast is voor haar problematisch, nu zij grotendeels arbeidsongeschikt is verklaard.
3. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat verzoekster al jarenlang een problematische schuldenlast heeft en ook recent weer nieuwe schulden heeft gemaakt. Verzoekster heeft al ruim 20 jaar schulden. In het kader van een eerdere WSNP is verzoekster tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtplicht en de inlichtingenplicht en is het traject zonder schone lei beëindigd. Op grond van het voorgaande houdt de rechtbank ernstig rekening met de omstandigheid dat verzoekster niet beschikt over voldoende capaciteiten om haar financiën op juiste wijze te beheren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voor een voorspoedig verloop van de WSNP noodzakelijk is dat verzoekster onder bewind wordt gesteld. Het voorgaande is ter zitting besproken en aan verzoekster is voorgehouden dat de rechtbank aan haar toelating tot de WSNP de voorwaarde stelt van beschermingsbewind. De rechtbank heeft vervolgens verzoekster in de gelegenheid gesteld om zich twee weken hierover te beraden, alvorens een beslissing te nemen op het verzoek.
De schuldhulpverleenster heeft binnen twee weken na de zitting namens verzoekster laten weten, dat verzoekster geen beschermingsbewind zal aanvragen.
Nu de rechtbank beschermingsbewind als voorwaarde heeft gesteld aan toelating tot de Wsnp zal het verzoek tot toelating worden afgewezen.
Mocht verzoekster op enig moment haar standpunt over beschermingsbewind wijzigen, dan staat het haar vrij een nieuw verzoek in te dienen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.