De redelijke termijn voor behandeling van uw faillissement is niet overschreden
RECHTSTREEKS AAN SCHULDENAAR
De heer [verzoeker]
[adres]
[postcode] [plaats]
ook per email (ZIVVER): [email-adres] @outlook.com
Geachte heer De Heus,
Hiermee bericht ik u naar aanleiding van uw brief van 7 november 2025. Deze brief heb ik aangemerkt als verzoek op grond van artikel 69 van de Faillissementswet (“Fw”). De curator heeft op 1 december 2025 op uw verzoek gereageerd.
U vraagt om duidelijkheid over de termijn van afwikkeling van uw faillissement. De curator heeft in zijn reactie aangegeven dat een achterstand van € 2.300,- in aflossingen aan de boedel nog moet worden ingelopen. Verder loopt in dit faillissement nog een onderzoek naar uw administratie door de Belastingdienst in verband met de inning van een vordering op [bedrijf] .
In artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is een bepaald dat elke procedure binnen een redelijke termijn moet worden behandeld. In het kader van een faillissementsprocedure volgt uit deze bepaling dat de rechter-commissaris erop moet toezien dat de afwikkeling van een faillissement met de nodige spoed wordt voortgezet. De vraag of de redelijke termijn voor behandeling van een faillissement is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het gaat dan bijvoorbeeld om de complexiteit van het faillissement, het gedrag van de betrokkenen, de belangen van de boedel en uw belangen als schuldenaar bij een voortvarende afwikkeling van het faillissement.
Uw faillissement loopt nu 25 maanden. Bij behandeling van een persoonlijk faillissement wordt gestreefd naar een afwikkeling binnen 18 maanden. Dit is geen ‘harde termijn’, omdat er steeds omstandigheden kunnen zijn die veroorzaken dat een faillissement langer loopt. In uw geval speelt bijvoorbeeld de omvangrijke schuldenlast (ongeveer € 1,8 miljoen). Er zijn twee redenen waarom uw faillissement nog loopt.
De eerste is dat u in het begin van het faillissement niet (een deel van) uw inkomsten aan de boedel heeft afgedragen. U bent deze achterstand nog aan het inlopen. Zolang het restant van deze achterstand (€ 2.300,-) niet door de boedel is ontvangen, zal het faillissement niet kunnen worden afgewikkeld. Dit is iets waarop de curator heeft. U heeft dit zelf veroorzaakt en moet dit zelf oplossen.
De tweede reden dat het faillissement nog loopt, is dat de curator probeert een vordering op [bedrijf] te incasseren. Er is een vordering op [bedrijf] van € 116.067,61. [bedrijf] heeft de vordering vooralsnog niet erkend en beroept zich op verrekening c.q. opschorting. De curator stelt zich op het standpunt dat [bedrijf] alleen kan opschorten als de Belastingdienst een beroep zou doen op zogenaamde keten- c.q. inlenersaansprakelijkheid. Het onderzoek van de Belastingdienst loopt nog. De Belastingdienst is overigens onderdeel van de Staat, tegen wie zich artikel 6 EVRM richt, zodat deze tweede reden uiteindelijk niet van doorslaggevende betekenis zal zijn bij het bepalen van de redelijke termijn voor afwikkeling van uw faillissement. Blijft deze discussie lopen, terwijl de boedelachterstand is ingelopen, dan zal op enig moment de redelijke termijn worden overschreden en is de curator gehouden tot afwikkeling over te gaan.
De conclusie is op dit moment dat de redelijke termijn voor behandeling van uw faillissement niet is overschreden. Uw verzoek wordt dus afgewezen. Tegen deze beslissing is gedurende vijf dagen te rekenen vanaf de dag waarop mijn beslissing zal worden gegeven, uitsluitend via een advocaat hoger beroep bij de rechtbank mogelijk.
Een kopie van deze beslissing stuur ik aan de curator.
Hoogachtend,
P.J. Neijt
rechter-commissaris