RECHTBANK Midden-Nederland
Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/586546 / BE ZA 24-76
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. I. Gorissen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Boogaers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7;- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 5;- de conclusie van antwoord in reconventie;- de akte overlegging producties 6 t/m 8 van [gedaagde] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2025, waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. Tijdens deze behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] gesproken over een wijziging van de eis in reconventie. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een eisvermeerdering. Indien daarvan wel sprake zou zijn geweest, dan zou deze eisvermeerdering, gelet op het procesreglement, te laat zijn ingediend.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
Partijen zijn zussen en de enige erfgenamen van hun vader (hierna: erflater). Erflater is op [overlijdensdatum] 2023 overleden. Partijen verschillen van mening over de afwikkeling en verdeling van zijn nalatenschap. In de kern gaat het om de vragen (i) of [gedaagde] de helft van het saldo van de ervenrekening dient te betalen aan [eiseres] en (ii) of [eiseres] bedragen aan de nalatenschap heeft onttrokken en zij de helft hiervan aan [gedaagde] dient te betalen.
3. Het geschil
In conventie
[eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de nalatenschap van erflater gelast op de volgende wijze:
I. toedeling aan [gedaagde] van het opgenomen saldo van de ervenrekening ad € 6.189,34 onder gelijktijdige verplichting voor [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 3.094,67 binnen veertien dagen na dit vonnis;
II. bepaalt dat partijen na uitvoering van deze verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de nalatenschap van zowel erflater als erflaatster;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert verweer met de conclusie dat de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel haar vorderingen afwijst en [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
In reconventie
[gedaagde] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 9.908,35 aan [gedaagde] binnen veertien dagen na dit vonnis en [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
[eiseres] voert verweer met de conclusie dat de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] afwijst en haar veroordeelt in de kosten van de procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen van [eiseres] en de vorderingen van [gedaagde] zal de rechtbank deze samen behandelen.
Het saldo van de ervenrekening komt toe aan beide erfgenamen
In augustus 2024 bedroeg het saldo van de ervenrekening € 6.189,34. [gedaagde] heeft in augustus 2024 het volledige saldo van de ervenrekening naar haar privérekening overgemaakt. Zij heeft vervolgens de ervenrekening opgeheven. [eiseres] vordert dat [gedaagde] de helft van het saldo van de ervenrekening, te weten € 3.094,67 aan haar toekomt. [eiseres] en [gedaagde] zijn namelijk de enige erfgenamen van erflater en allebei voor een gelijk deel gerechtigd tot dit saldo.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat zij gerechtigd was tot het gehele bedrag omdat [eiseres] in het verleden aanzienlijke geldbedragen van hun ouders heeft ontvangen. Volgens [gedaagde] moeten deze bedragen – in totaal € 43.006,03 – worden aangemerkt als voorschotten op de erfenis dan wel als giften die op grond van artikel 4:229 BW moeten worden ingebracht. Daarnaast beroept zij zich op de 180-dagenregeling van artikel 12 lid 1 Successiewet 1956. [eiseres] betwist dit en stelt dat voor een inbrengplicht of verrekening geen grondslag bestaat.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor toepassing van artikel 4:229 BW is vereist dat de erflater bij het doen van de gift uitdrukkelijk heeft bepaald dat deze bij de verdeling van de nalatenschap moet worden ingebracht, dan wel dat dit volgt uit een testamentaire bepaling. [eiseres] heeft betwist dat erflater enige aanwijzing heeft gegeven dat de ontvangen bedragen zouden moeten worden verrekend bij de latere nalatenschap. [gedaagde] heeft geen documenten overgelegd waaruit een dergelijke aanwijzing blijkt. De enkele omstandigheid dat de ouders [eiseres] financieel hebben ondersteund, is onvoldoende om een inbrengplicht aan te nemen voor schenkingen die na 2003 zijn gedaan. Echter, zowel [gedaagde] als [eiseres] hebben onder het oude erfrecht ook een schenking ontvangen van ouders. [gedaagde] heeft een auto gekregen en [eiseres] een caravan.
De 180-dagenregeling uit de Successiewet 1956 bepaalt dat schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden zijn gedaan, voor de fiscale heffing van erfbelasting worden aangemerkt als verkrijging krachtens erfrecht. De regeling heeft uitsluitend een fiscaal doel en ziet niet op de civielrechtelijke omvang van de nalatenschap. Het beroep op deze regeling slaagt dan ook niet.
Gelet op het voorgaande behoort het saldo van de ervenrekening tot de onverdeelde nalatenschap. [eiseres] en [gedaagde] zijn ieder gerechtigd tot een gelijk deel. Nu geen sprake is van verrekening, inbreng of voorschotten, komt ieder van hen de helft van het saldo toe. [gedaagde] heeft het gehele saldo van € 6.189,34 naar haar privérekening overgemaakt. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] de helft, zijnde € 3.094,67, aan [eiseres] moet betalen.
Geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad
In reconventie vordert [gedaagde] veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 9.908,35. [gedaagde] stelt dat [eiseres] zich ten koste van de nalatenschap ongerechtvaardigd heeft verrijkt, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Ter onderbouwing voert zij aan dat [eiseres] ongebruikelijke transacties heeft verricht die niet passen binnen het normale bestedingspatroon van erflater. Door deze transacties is het erfdeel van [gedaagde] verminderd en zij heeft hierdoor schade geleden. Zij baseert haar schadeberekening op:
Waarde caravan € 6.500,00
Onttrekkingen € 19.506,03
Saldo ervenrekening € 6.189,34 +
Totaal € 32.195,37
De helft daarvan, € 16.097,69 zou aan [gedaagde] toekomen. Nu zij reeds € 6.189,34 aan zichzelf heeft toebedeeld (ervenrekening), resteert een vordering van € 9.908,35.
[eiseres] betwist dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige onttrekkingen. Erflater was immers vrij om tijdens leven over zijn vermogen te beschikken en hij heeft bewust bepaalde schenkingen gedaan. Erflater was tot zijn overlijden wilsbekwaam. [eiseres] deed uitsluitend betalingen namens erflater en op zijn verzoek. De bedragen die zij van erflater ontving zijn dan ook te kwalificeren als schenkingen. Er kan daarom geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige onttrekkingen.
Ongerechtvaardigde verrijking
Op grond van artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ten koste van een ander ongerechtvaardigd is verrijkt, verplicht om, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Hieruit volgt dat er tussen de verrijking en verarming voldoende verband moet bestaan; de verrijking van de één moet ten koste van de ander gaan. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. De stelplicht en eventuele bewijslast dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, rust op [gedaagde] .
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Ze heeft namelijk onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [eiseres] is verrijkt ten koste van erflater. [gedaagde] heeft geen concrete bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat [eiseres] gelden voor eigen gebruik heeft opgenomen, zonder toestemming van erflater. De enkele verwijzing naar bankafschriften met ongebruikelijke transacties is onvoldoende. Erflater was tot zijn overlijden wilsbekwaam en mocht ook zelf beslissen over zijn uitgaven.
Onrechtmatige daad
[gedaagde] heeft zich, voor wat betreft de grondslag onrechtmatige daad, op dezelfde feiten beroepen als bij de grondslag ongerechtvaardigde verrijking. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank al heeft geoordeeld dat er door [gedaagde] onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In zoverre is er dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen van [eiseres] . Het enkel verrichten van ongebruikelijke transacties is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank zal de vordering in reconventie dan ook afwijzen.
Verdere afdoening nalatenschap erflater en erflaatster
[eiseres] vordert ook dat partijen na deze procedure over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de nalatenschap van erflater en erflaatster.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie
bepaalt dat [gedaagde] het saldo van de ervenrekening ad € 6.189,34 toekomt,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.094,34 aan [eiseres] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
In reconventie
wijst de vorderingen af,
In conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.