RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/7587
(gemachtigde: D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: D.J. Koopmans).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 25 november 2024 heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 16 oktober 2024.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2025. De gemachtigden van beide partijen zijn verschenen.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest.
3. Bij brief van 30 december 2024 is door de gemachtigde een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Aangezien de gemachtigde namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
4. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat de adresgegevens van eiseres correct zijn vermeld in de nota, maar er geen herinneringsnota is ontvangen.
5. Ter attentie van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij aangetekende brief van 27 december 2024 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht van € 371,- te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief. Uit de Track & Trace van PostNL is op te maken dat deze brief op 3 januari 2025 om 09:11 uur voor ontvangst is afgetekend. De gemachtigde eiser heeft gesteld dat hij deze brief desondanks niet heeft ontvangen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij aangevoerd dat hij op 3 januari 2025 niet in Nederland was. Ook heeft gemachtigde eiseres aangevoerd dat de handtekening die gezet is voor ontvangst van de brief niet van hem is.
7. De rechtbank acht deze toelichting van de gemachtigde van eiseres niet aannemelijk. De rechtbank gaat er daarbij niet aan voorbij dat het haar ambtshalve bekend is dat het geregeld voorkomt dat aangetekende brieven die de rechtbank aan de gemachtigde van eiseres heeft geadresseerd, naar zijn stelling niet door hem in ontvangst zijn genomen. De rechtbank acht het wel zeer opmerkelijk dat dit in het geval van de gemachtigde van eiseres dermate geregeld gebeurt. Ook is het opmerkelijk dat de gemachtigde hierover nimmer om opheldering heeft verzocht bij het servicepunt van PostNL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres dan ook geen voor de hand liggende verklaring gegeven voor het feit dat de brief van 27 december 2024 kennelijk wel door iemand voor ontvangst is ondertekend, maar dat deze brief vervolgens niet in zijn bezit zou zijn gekomen
Gelet daarop is het niet nodig om nog een herinneringsnota te versturen.
8. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Overschrijding redelijke termijn
9. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.
10. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 25 november 2024. Dat betekent dat sinds het instellen van beroep minder dan anderhalf jaar is verstreken, zodat de rechtbank zich verder niet hoeft uit te laten over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.