RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen
Caron Realestate & Development B.V., te Nieuwegein, eiseres,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/2286, UTR 24/2288 t/m 24/2300, UTR 24/2302 t/m UTR 24/2324, UTR 24/2326 t/m UTR 24/2348
(gemachtigde: D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: D.J. Koopmans).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 8 februari 2024 heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 31 januari 2024.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2025. De gemachtigden van beide partijen zijn verschenen.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest.
3. Bij brief van 14 mei 2024 is door de gemachtigde een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Aangezien de gemachtigde namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.
4. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting naar voren gebracht het niet eens te zijn met de administratieve splitsing van zaken. Vervolgens heeft gemachtigde eiseres aangegeven dat hij geen splitsingsbrief heeft ontvangen en niet weet welke zaaknummer bij welk object hoort aangezien zijn client meerdere panden heeft.
5. Over het door gemachtigde eiseres niet ontvangen van de splitsingsbrief overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat op 29 maart 2024 aan de gemachtigde eiseres per gewone post een zogenoemde splitsingsbrief is gestuurd, waarin staat vermeld dat de zaak om administratieve redenen wordt gesplitst. Ook is er als bijlage een clusterformulier meegestuurd. Op het clusterformulier is te zien welke zaaknummer is gekoppeld aan welk object. Voor zover de gemachtigde van eiseres deze splitsingsbrief niet heeft ontvangen overweegt de rechtbank dat gemachtigde eiseres niet in zijn belangen is geschaad, omdat er maar één keer griffierecht is geheven. De stelling van gemachtigde eiseres dat de rechtbank om oneigenlijke redenen de zaak administratief heeft gesplitst leidt niet tot een ander oordeel.
6. Ter attentie van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij aangetekende brief van 2 mei 2024 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht van € 371,- te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief. Uit de Track & Tracé van PostNL is op te maken dat deze brief op 4 mei 2024 om 10:27 uur voor ontvangst is afgetekend. De gemachtigde eiseres heeft aangevoerd dat de griffierechtnota niet vermeldt op welk adres of object de betrekking heeft. Daardoor is het voor de gemachtigde van eiseres niet duidelijk geweest aan welk dossier of object de griffierechtnota was gerelateerd.
7. De rechtbank volgt gemachtigde eiseres hierin niet. Bij brief van 29 maart 2024 heeft de rechtbank de ontvangst bevestigd van het beroepschrift. In die brief zijn de namen van eiseres en verweerder vermeld, en ook is verwezen naar het bestreden besluit van
31 januari 2024. In deze brief heeft de rechtbank vermeld “ons kenmerk: zaaknummer UTR 24/2286 WOZ” en “uw kenmerk: [adres] [plaats] ”. Op basis van dit alles is de rechtbank van oordeel dat afdoende duidelijk is op welk object de griffierechtnota betrekking heeft. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota een incomplete vermelding van het adres van de betreffende onroerende zaak heeft. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten. Dat andere rechtbanken mogelijk een andere praktische werkwijze hebben, betekent niet dat deze rechtbank gehouden is deze zonder meer te volgen.
8. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Overschrijding redelijke termijn
9. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken.
In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.
10. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 8 februari 2024. Dat betekent dat sinds het instellen van beroep minder dan anderhalf jaar is verstreken, zodat de rechtbank zich verder niet hoeft uit te laten over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.