ECLI:NL:RBMNE:2025:7096

ECLI:NL:RBMNE:2025:7096, Rechtbank Midden-Nederland, 29-07-2025, UTR 24/2622 en UTR 24/2624

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-07-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer UTR 24/2622 en UTR 24/2624
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Geen griffierecht; niet-ontvankelijk;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,

de heffingsambtenaar van gemeente Soest, verweerder.

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 24/2622 & UTR 24/2624

(gemachtigde: D.A.N. Bartels),

en

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 4 maart 2024 heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 27 februari 2024.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2025. De gemachtigden van eiseres is verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als eiseres een geldige reden heeft waarom zij het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.

2. Beoordeeld moet worden of aan het niet (op tijd en/of volledig) betalen van het griffierecht omstandigheden ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres ter zake niet in verzuim is geweest.

3. Bij brief van 16 april 2024 is door de gemachtigde een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. Aangezien de gemachtigde namens eiseres beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van eiseres van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven.

4. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat op de griffierechtnota een onjuiste naam is vermeld. In de nota staat [eiseres] in plaats van [eiseres] . Volgens de gemachtigde van eiseres stond het adres van client wel goed in de nota. Daarna gaf gemachtigde van eiseres aan dat ze ook geen nota hebben ontvangen inzake UTR 24/2624 en dat hierdoor verwarring is ontstaan.

5. De rechtbank stelt vast dat op 8 april 2024 aan de gemachtigde van eiseres per gewone post een zogenoemd clusterformulier is gestuurd, waarop te zien is welke zaaknummer gekoppeld is aan welk object. Hoewel deze procedure door de rechtbank administratief gesplitst is, hoeft gemachtigde van eiseres slechts één keer griffierecht te voldoen omdat er sprake is van één uitspraak op bezwaar waarop meerdere objecten zijn vermeld. Voor zover de gemachtigde van eiseres deze splitsingsbrief niet heeft ontvangen overweegt de rechtbank dat gemachtigde eiseres niet in zijn belangen is geschaad, omdat er maar één keer griffierecht is geheven.

6. Ter attentie van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij aangetekende brief van 11 mei 2024 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht van € 371,- te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief. Uit de Track & Tracé van PostNL is op te maken dat deze brief op 14 mei 2024 om 08:38 uur voor ontvangst is afgetekend. De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat de naam van client niet juist staat vermeldt in de griffierechtnota. Daardoor is het voor de gemachtigde van eiseres niet duidelijk geweest aan welk dossier of object de griffierechtnota was gerelateerd.

7. De rechtbank ziet hierin geen reden om het griffierecht niet te betalen. Bij brief van 8 april 2024 heeft de rechtbank de ontvangst bevestigd van het beroepschrift. In die brief zijn de namen van eiseres en verweerder vermeld, en ook is verwezen naar het bestreden besluit van 27 februari 2024. In deze brief heeft de rechtbank verder vermeld “ons kenmerk: zaaknummer UTR 24/2622” en “uw kenmerk: [adres] ”. Op basis van dit alles is de rechtbank van oordeel dat afdoende duidelijk is op welk beroep en welk object de griffierechtnota betrekking heeft. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota een incomplete vermelding van het adres van de betreffende onroerende zaak heeft. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten. Dat andere rechtbanken mogelijk een andere praktische werkwijze hebben, betekent niet dat deze rechtbank gehouden is deze zonder meer te volgen.

8. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de betaling van het griffierecht. Gelet daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Overschrijding redelijke termijn

9. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken.

In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.

10. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 4 maart 2024. Dat betekent dat sinds het instellen van beroep minder dan anderhalf jaar is verstreken, zodat de rechtbank zich verder niet hoeft uit te laten over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Helmich

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?