ECLI:NL:RBMNE:2025:7104

ECLI:NL:RBMNE:2025:7104, Rechtbank Midden-Nederland, 14-03-2025, UTR 23/627

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 14-03-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer UTR 23/627
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep gegrond; vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar; draagt de heffingsambtenaar op om een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, verweerder.

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/627

en

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing voor het belastingjaar 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar beslist op de ingebrekestelling van 3 januari 2023 ten aanzien van de uitspraak op het bezwaar tegen de riool- en afvalstoffenheffing en op de ingebrekestelling van 3 januari 2023 ten aanzien van de uitspraak op bezwaar tegen de WOZ-waarde.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft ter zitting plaatsgevonden op 27 februari 2025. Eiser is verschenen.

Voor de heffingsambtenaar zijn verschenen: [A] en [B] .

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 3 maart 2025 van eiser nog een brief ontvangen met opmerkingen over de machtiging van [A] . De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en zal deze brief niet in haar beoordeling betrekken.

Overwegingen

1. In geschil is vooral of de heffingsambtenaar eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar. Daarnaast zijn de beslissingen op de ingebrekestellingen in geschil.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar

2. In het verweerschrift is de heffingsambtenaar teruggekomen op zijn standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift verklaard dat de aanslag rioolheffing is vernietigd. Verder is de heffingsambtenaar kort ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Eiser heeft hier uitvoerig in meerdere stukken en op de zitting op gereageerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar gegrond is, nu de heffingsambtenaar de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar niet langer handhaaft. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar dan ook vernietigen. Daarmee komt het bezwaar weer open te liggen en moet daar alsnog inhoudelijk op worden beslist.

4. Partijen hebben de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien door te beslissen op het bezwaar. De rechtbank heeft dit overwogen, maar besloten dat niet te doen. Eiser heeft een groot aantal vraagtekens geplaatst bij de afvalstoffenheffing en de kostendekking. De heffingsambtenaar heeft hier pas in het verweerschrift kort op gereageerd en heeft vervolgens op de zitting gereageerd op wat eiser op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de standpunten in deze zaak op dit moment nog onvoldoende duidelijk zijn om in beroep inhoudelijk te beoordelen. Daar komt bij dat er nog geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, waar eiser zijn bezwaren zou kunnen toelichten en de heffingsambtenaar bij eiser bestaande vragen zou kunnen beantwoorden en een inzichtelijke toelichting op de kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing zou kunnen geven. Ook kan de heffingsambtenaar zijn standpunt in een uitspraak op bezwaar gemotiveerd uiteenzetten. En in een uitspraak op bezwaar kan de heffingsambtenaar ook opnemen dat de aanslag rioolheffing wordt vernietigd. Dit staat nu alleen in het verweerschrift, hetgeen niet kan worden gezien als een besluit op het bezwaar van eiser.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de heffingsambtenaar opdragen om een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen.

De beslissingen op de ingebrekestellingen

6. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

7. Nu de heffingsambtenaar opnieuw een uitspraak op het bezwaar van eiser moet nemen, dient de heffingsambtenaar ook de bezwaren van eiser tegen de beslissingen op de ingebrekestellingen daarbij te betrekken.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

9. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

10. Voor de duur van een bezwaar- en beroepsprocedure wordt een periode van in totaal twee jaar als redelijke termijn gezien. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

11. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar gelet op ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 1 april 2022 en de datum van de uitspraak op 14 maart 2025, meer dan twee jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is met ruim 11 maanden overschreden. Dat is deels te wijten aan de heffingsambtenaar (die ruim 9 maanden over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan) en deels aan de rechtbank (die ruim 25 maanden over de behandeling van het beroep heeft gedaan). Omdat de bezwaarprocedure eindigt met de uitspraak op bezwaar, wordt de overgebleven periode van ruim één maand aan de beroepsfase toegerekend.

12. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding zou moeten zijn. Als door het overschrijden van de redelijke termijn immateriële schade is geleden hanteert de Hoge Raad voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

13. In dit geval is de redelijke termijn met ruim 11 maanden overschreden. Afgerond naar boven leidt dat in deze zaak tot een aanspraak op schadevergoeding van € 1000,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar, die afgerond 4 maanden te lang over de bezwaarfase heeft gedaan (4/11) en deels aan de rechtbank, die afgerond 7 maanden te lang over de beroepsfase heeft gedaan. De rechtbank zal daarom de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar (4/11 x € 1000,- =)

€ 370,- als schadevergoeding aan eiseres moet betalen, en de Staat (7/11 x € 1000,- =)

€ 630,-.

14. De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de Minister van Justitie en Veiligheid niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.

Proceskosten en griffierecht

15. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. Eiser heeft als proceskosten opgevoerd verletkosten van € 220,50 (2,5 x € 89,-) , omdat hij door de reis naar en aanwezigheid op de zitting zijn werk als zelfstandige niet heeft kunnen doen. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in deze proceskosten veroordelen. De door eiser opgevoerde kosten voor papier, postzegels en dergelijke zijn geen kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Ook moet de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:

€ 220,50;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.C. Stijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?