RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 op het verzet van
De Poort van Lunetten B.V., te Utrecht, opposante,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5278-V
(gemachtigde: mr. L.K. Tsui).
Procesverloop
Opposante heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 2 juli 2024 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij aan opposante een boete is opgelegd.
In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 november 2024 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of haar uitspraak van 20 november 2024 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 november 2024 geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat opposante het verschuldigde griffierecht niet had voldaan. Op
19 september 2024 heeft de rechtbank een aangetekende brief gestuurd aan de gemachtigde van opposante. In die brief stond vermeld dat opposante het griffierecht binnen vier weken nadien moest voldoen. De brief is op 15 oktober 2024 als onbestelbaar geretourneerd aan de rechtbank. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van de Awb heeft de rechtbank deze brief op 24 oktober 2024 per gewone post verzonden aan de gemachtigde van opposante, met daarbij de mededeling dat de termijn van vier weken niet opnieuw aanvangt. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat het griffierecht niet is voldaan.
4. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 20 november 2024 niet juist.
De gemachtigde van opposante betwist namelijk dat hij de aangetekende brief van
19 september 2024 heeft ontvangen en dat de postbezorging ook geen afhaalbericht heeft achtergelaten.
5. De rechtbank is het eens met opposante. De recente problemen omtrent de bezorging van aangetekende post door PostNL, in combinatie met de door opposante gegeven toelichting, zorgen ervoor dat de rechtbank er niet zeker van kan zijn dat de brief van
19 september 2024 daadwerkelijk is bezorgd. Dit in weerwil van de vermelding op de zogenoemde Track & Tracé van PostNL.
6. Dit betekent dat opposante gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 20 november 2024 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposante krijgt over de verdere behandeling nog bericht.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: