RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] , opposant,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2579-V
(gemachtigde: B.A.M. Slockers).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht van 22 februari 2024. In dat besluit is het bezwaar van opposant tegen de WOZ-waarde van zijn woning ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 februari 2025 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in de uitspraak van 20 februari 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025 niet juist was.
3. Opposant vindt dat de rechtbank ten onrechte bij de proceskostenvergoeding voor het bezwaarschrift de wegingsfactor 0,25 heeft gehanteerd. Opposant verzoekt de rechtbank om de wegingsfactor 1 te hanteren. Daarbij wijst opposant op het arrest van 26 november 2024, waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat er sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1. Ook wijst opposant erop dat de uitspraak van 4 september 2023, waar de rechtbank naar heeft verwezen, is vernietigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met het arrest van 1 oktober 2024. Verder vindt opposant dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de schriftelijke hoorzitting op 29 juli 2024 heeft toegekend.
4. In de uitspraak van 4 september 2023, onder rechtsoverweging 18 en 19, heeft de rechtbank uitgangspunten opgesteld voor over de wegingsfactor bij proceskosten. Bij zaken over de WOZ-waarde waarin de gemachtigde gebruik maakt van een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt de rechtbank wegingsfactor 0,25. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 februari 2025 bij dat uitgangspunt aangesloten. De rechtbank heeft kennis genomen van het arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024, maar ziet daarin geen aanleiding om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. In dat arrest, net als in het arrest van 26 november 2024, is enkel voor die specifieke zaak door het gerechtshof beoordeeld dat een andere wegingsfactor aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de wegingsfactor 0,25 in de uitspraak van 20 februari 2025 niet klopt, omdat uit het bezwaarschrift blijkt dat de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze heeft toegepast.
5. In de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de proceshandelingen opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd. Er bestaat ook geen grond om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor een vergoeding toe te kennen.
4. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
20 februari 2025 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: