RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/588714 / HA ZA 25-89
Vonnis van 1 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
AUDAX RENEWABLES NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Audax,
advocaat: mr. P.P. Otte,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. J.A. Kopp.
1. De procedure
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,
- aanvullende producties 12 en 13 aan de zijde van Audax,
- aanvullende productie 10 aan de zijde van [gedaagde partij] .
Op 3 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar door de griffier aantekeningen van zijn gemaakt. Aanwezig waren namens Audax, [A] (legal counsel) en de gemachtigde en namens [gedaagde partij] , [B] (directeur eigenaar) en de gemachtigde.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
Audax heeft met Procent Energie als gevolmachtigde van onder andere [gedaagde partij] , een overeenkomst voor de levering van energie voor de duur van drie jaren gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft Audax vanaf 1 januari 2024 energie geleverd aan [gedaagde partij] . De overeenkomst is eind februari 2024 beëindigd. Audax vordert van [gedaagde partij] zowel betaling van de (deels) onbetaalde facturen, als een opzegvergoeding in verband met de vroegtijdige opzegging door [gedaagde partij] . De rechtbank wijst de vorderingen van Audax toe en legt dit hierna uit.
3. De beoordeling
[gedaagde partij] is gebonden aan de (namens haar gesloten) overeenkomst
[gedaagde partij] heeft op 12 oktober 2021 een overeenkomst van volmacht gesloten met Procent Energie, een inkooporganisatie voor horeca. Tussen partijen is – zo bleek ook tijdens de mondelinge behandeling – niet in geschil dat Procent Energie een overeenkomst heeft gesloten met Audax en dat Procent Energie deze mede namens [gedaagde partij] is aangegaan. Audax heeft deze overeenkomst ook als productie 4 bij de dagvaarding overgelegd.
Weliswaar twisten partijen over de vraag of deze overeenkomst is aan te merken als multisite-overeenkomst (een leveringsovereenkomst waarin meer dan één aansluiting of contractant is opgenomen als bedoeld in de artikelen 95n Elektriciteitswet 1998 en/of 52c Gaswet), maar de rechtbank vindt het antwoord op die vraag niet relevant voor de uitkomst van deze zaak. In het geval van een multisite-overeenkomst verliest een kleinverbruiker – conform hetgeen is toegestaan door de ACM – bepaalde rechten, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte van een opzegvergoeding, stilzwijgende verlenging en de maximale opzegtermijn. Aangezien [gedaagde partij] zelf een grootverbruiker is, werden haar rechten dus – zou al sprake zijn van een mulitisite-overeenkomst – niet ingeperkt. Dat [gedaagde partij] (ook) een grootverbruik aansluiting heeft, heeft Audax ter zitting betoogd en toegelicht. [gedaagde partij] heeft weliswaar betwist dat zij een grootverbruiker is, maar die blote betwisting – eigenlijk niet meer dan de mededeling dat ze niet weet of ze een grootverbruik aansluiting heeft, letterlijk op zitting: ‘het zou een grootverbruik aansluiting kunnen zijn’ – heeft zij niet gemotiveerd. De rechtbank gaat aan die betwisting dan ook aan voorbij.
[gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat zij niet gebonden is aan de overeenkomst, omdat zij meent dat sprake is van een overschrijding van de volmacht en/of onbevoegde vertegenwoordiging. Volgens [gedaagde partij] heeft zij geen aanbod van Procent Energie ontvangen (zoals volgens haar wel verplicht is op grond van de volmacht) en zou dit aanbod er al zijn, dan heeft zij daarmee niet schriftelijk ingestemd. De rechtbank overweegt dat, nog los van de vraag of de verplichting tot het doen van een aanbod door Procent Energie überhaupt bestaat, de volmacht ziet op de onderlinge relatie tussen Procent Energie en [gedaagde partij] (en niet die tussen Audax en [gedaagde partij] ). Als Procent Energie niet heeft gehandeld als overeengekomen, betekent dat dus niet automatisch dat dit Audax kan worden tegengeworpen. Dit kan niet als Audax heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend (artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
De rechtbank is van oordeel dat Audax uit mocht gaan van een toereikende volmacht en handelen door Procent Energie binnen die volmacht. Nadat Audax de gemaakte afspraken met Procent Energie in een mail van 27 november 2023 aan [gedaagde partij] bevestigde (productie 6 dagvaarding), kreeg Audax daarop namelijk geen afwijzende reactie. Dit, ondanks het feit dat uit de e-mail blijkt welke afspraken Procent Energie namens haar had gemaakt en welke tarieven Audax in rekening zou brengen. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde partij] deze mail van 27 november 2023 wel ontvangen heeft. Het voorgaande betekent dat [gedaagde partij] gebonden is aan de (mede namens haar) gesloten overeenkomst met Audax.
[gedaagde partij] moet de openstaande facturen en de opzegvergoeding betalen
Daarom is [gedaagde partij] ook gehouden de openstaande facturen voor de afgenomen energie te betalen. Omdat de overeenkomst vroegtijdig is beëindigd, dan wel door opzegging van [gedaagde partij] dan wel door Audax na het uitblijven van betaling van [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] een opzegvergoeding verschuldigd. In artikel 3.8 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde en bij e-mail van 27 november 2023 meegestuurde algemene voorwaarden staat namelijk dat, in geval van tussentijdse beëindiging, de afnemer een direct opeisbare opzegvergoeding verschuldigd is. Die bepaling is voldoende duidelijk en daarin is ook de berekeningswijze opgenomen.
Anders dan [gedaagde partij] stelt, betreft die bepaling geen kernbeding (waar zij uitdrukkelijk akkoord mee had moeten gaan). De eventueel verschuldigde opzegvergoeding geeft namelijk niet de kern van de prestatie weer. Ook het beroep van [gedaagde partij] op de reflexwerking van artikelen 6:236 en 6:237 BW gaat niet op. [gedaagde partij] stelt dat zij materieel niet van een consument te onderscheiden is (en de opzegvergoeding daarom vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn), maar hier gaat de rechtbank niet in mee. Als onweersproken staat vast dat [gedaagde partij] een jaarafname van ruim 230.000 kilowattuur elektriciteit heeft. Dit komt overeen met een elektriciteitsverbruik van meer dan 75 gemiddelde huishoudens. Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde partij] hiermee geen aan een consument gelijk te stellen afnemer, maar een professionele partij, voor wie energiekosten een substantieel onderdeel van de operationele kosten vormen.
De rechtbank ziet daarnaast geen reden om de opzegvergoeding te matigen op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). [gedaagde partij] heeft zich op dit artikel beroepen en in het algemeen verwezen naar haar conclusie van antwoord. Daarin ziet de rechtbank geen omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het vorderen van de opzegvergoeding door Audax naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De regels van het ACM waarnaar [gedaagde partij] heeft verwezen, zijn op de opgenomen site niet meer raadpleegbaar en ook verouderd. Dat Audax in vergelijkbare gevallen de opzegvergoedingen geheel heeft kwijtgescholden, heeft [gedaagde partij] niet onderbouwd. Het voorgaande betekent dat [gedaagde partij] de gevorderde opzegvergoeding moet betalen.
Audax heeft bij de dagvaarding een overzicht van de (destijds) openstaande facturen overgelegd, waarbij de opzegvergoeding onderdeel is van factuurnummer 1861075 (€ 26.726,69):
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde partij] na het uitbrengen van de dagvaarding nog enkele betalingen heeft gedaan. Audax heeft haar vordering met dit bedrag (€ 2.923,10) verlaagd tot € 27.292,81. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, zal de rechtbank dit bedrag toewijzen.
[gedaagde partij] moet de wettelijke handelsrente over de facturen betalen
Audax maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de openstaande facturen, vanaf de vervaldata, tot aan de dag van algehele betaling. Anders dan [gedaagde partij] stelt, is het in artikel 6:92 lid 2 BW genoemde verbod hier niet van toepassing. Volgens dat artikel is het niet mogelijk om zowel een contractuele boete uit de algemene voorwaarden als wettelijke handelsrente te vorderen, tenzij dit is overeengekomen. De rechtbank gaat hier aan voorbij, omdat de in de algemene voorwaarden opgenomen bepaling over de opzegvergoeding geen contractuele boete is. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke handelsrente daarom toewijzen, waarbij Audax tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat de betalingen (in afwijking van artikel 6:44 BW) kunnen worden toegerekend aan de oudste facturen.
[gedaagde partij] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
Audax vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 1.077,16 worden toegewezen.
[gedaagde partij] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de buitengerechtelijke incassokosten. Buitengerechtelijke kosten dienen te worden aangemerkt als vermogensschade (art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW). De wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW heeft uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van schade kan daartoe niet worden gerekend. De rechtbank zal daarom alleen de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. Omdat Audax niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (3 februari 2025).
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Audax worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.867,35
4. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Audax te betalen een bedrag van € 27.292,81, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Audax te betalen een bedrag van € 1.077,16 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van de dagvaarding (3 februari 2025), tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 4.867,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken door mr. D. Wachter op 1 oktober 2025.
EB5791