Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 599710 HA RK 25-159
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
4 november 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker]
te [woonplaats] ,
hierna: verzoeker
gemachtigde: mr. A. Peijs
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek met bijlagen van 16 oktober 2025.
Het wrakingsverzoek is op 21 oktober 2025 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de rechter (via Teams) aanwezig.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.P. Drijkoningen (hierna: de rechter), de behandelend rechter in de zaak met zaaknummer 581688 / HA ZA 24-488 (hierna: de hoofdzaak).
De reden van het wrakingsverzoek is de (rol)beslissing van de rechter om na een aktewisseling van partijen aan de wederpartij van verzoeker nogmaals gelegenheid te geven inhoudelijk te reageren op de akte van verzoeker. Pas na een klacht van verzoeker over de gang van zaken, is besloten dat verzoeker aansluitend nog de mogelijkheid krijgt om kort te reageren op de akte van de wederpartij. Volgens verzoeker is de rechter partijdig dan wel vooringenomen, omdat op deze manier ten onrechte aan de wederpartij de gelegenheid wordt gegeven om een vergissing of fout in de door hen eerder genomen akte te herstellen.
De rechter heeft niet berust in de wraking.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
Een rechter heeft de leiding over het verloop van een procedure en bepaalt de voortgang daarvan. Hij mag (en moet) bepalen wanneer hij genoeg informatie heeft om een oordeel te kunnen geven. In dat kader neemt een rechter allerlei procesbeslissingen, bijvoorbeeld over de vraag of een partij bewijs mag leveren of over de manier waarop een zaak op zitting wordt behandeld.
De beslissing van de rechter om de wederpartij nogmaals te laten reageren op de akte van verzoeker is ook zo’n procesbeslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke rechterlijke beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking, zelfs als de motivering ervan onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier is of als de motivering ontbreekt. Wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. Dit kan alleen anders zijn als de motivering van de procesbeslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen) niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Dat verzoeker zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de rechter vooringenomen is, is daarvoor onvoldoende.
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoekster met het nummer 599710 / HA ZA 25-159 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, mrs. J.G. Nicholson en
S.M. Schothorst als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.