RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2025 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2519-V
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder) van 26 maart 2024.
In de uitspraak van 28 oktober 2024 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De bestuursrechter heeft zich in de uitspraak van 28 oktober 2024 onbevoegd verklaard, omdat verzet tegen een dwangbevel alleen kan worden ingesteld bij de civiele rechter van de rechtbank. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van 28 oktober 2024 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2024 niet juist, omdat opposant via de rechterlijke macht tot een oplossing probeert te komen. Opposant heeft namelijk meermaals verzoeken ingediend bij verweerder met betrekking tot een betalingsregeling, kwijtschelding en/of verjaring voor het bedrag dat hij moet terugbetalen.
4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 oktober 2024 terecht geoordeeld dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van dit beroep en dat daarover ook geen twijfel bestond. Uit het door opposant ingediende verzetschrift blijkt ook niet uit waarom hij het er niet eens is dat de bestuursrechter zich onbevoegd heeft verklaard.
5. Uit het verzetschrift blijkt wel dat opposant een betalingsregeling wil en dat hij het niet eens is met het dwangbevel. In de uitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2024 staat vermeld dat hij daarvoor een verzetschrift kan indienen bij de civiele rechter. Opposant heeft het verzetschrift waarover nu wordt geoordeeld ingediend bij de bestuursrechter. Dit is een andere rechter dan de civiele rechter. Als opposant nog steeds een oordeel wil hebben over het dwangbevel dan moet hij daarmee naar de civiele rechter. Hij kan contact zoeken met een advocaat of een andere rechtshulpverlener met de vraag hoe hij dat moet doen.
5. De rechtbank heeft het beroep terecht buiten zitting afgedaan. Het verzet is daarom ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2024 blijft in stand.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: