RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 op het verzet van
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/2869-V en UTR 23/3112-V
[gemachtigde] (Previcus Vastgoed), veronderstellenderwijs handelend namens [opposante] , te [plaats] , opposante.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat [gemachtigde] heeft ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
In de uitspraak van 21 november 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. [gemachtigde] is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 november het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit de overlegde machtiging en het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet volgt dat [gemachtigde] bevoegd is om namens [opposante] beroep in te stellen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of [gemachtigde] gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2023 niet juist was.
3. Volgens [gemachtigde] is de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2023 niet juist omdat zij conform het verzoek van de rechtbank op 26 oktober 2023 de statuten heeft doorgezonden. Uit de statuten blijkt dat de personen die de machtiging hebben ondertekend hiertoe bevoegd waren.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank heeft op 6 oktober 2023, voor de derde maal, een brief gestuurd aan [gemachtigde] waarin staat dat binnen twee weken een schriftelijke machtiging en een kopie van de statuten moet worden opgestuurd. Op 18 oktober 2023 heeft [gemachtigde] alleen een machtiging overgelegd. Bij aangetekende brief van 20 oktober 2023 heeft de rechtbank [gemachtigde] nogmaals verzocht om binnen twee weken de statuten te overleggen. De rechtbank heeft, anders dan [gemachtigde] in het verzetschrift stelt, geen statuten ontvangen. De rechtbank heeft zowel het digitale dossier als het fysieke dossier gecontroleerd op stukken. De rechtbank overweegt dat het op de weg ligt van [gemachtigde] om aannemelijk te maken dat zij de statuten heeft verstuurd. [gemachtigde] heeft niet aannemelijk gemaakt (bijvoorbeeld door het overleggen van een bewijs van verzending) dat zij de statuten daadwerkelijk op 26 oktober 2023 heeft verzonden aan de rechtbank. In het (digitale) dossier zijn ook geen stukken gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de statuten ontvangen zouden zijn (bijvoorbeeld een ontvangstbevestiging rondom
26 oktober 2023 of een doorzendbrief van het ontvangen stuk van 26 oktober 2023 aan verweerder).
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
21 november 2023 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2025
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.