RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] , opposant,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1039-V
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV) van
15 februari 2023.
In de uitspraak van 8 mei 2023 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 mei 2023 het beroep ongegrond verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2023 niet juist was.
3. Opposant voert allereerst aan dat hij tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2023 in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep met het standpunt dat het besluit van 2 maart 2011 niet onherroepelijk is geworden omdat deze niet op behoorlijke wijze kenbaar is gemaakt. Dat wil volgens hem dus ook zeggen dat de overweging van de rechtbank in onderhavige uitspraak ten aanzien van de (on)herroepelijkheid van het primaire besluit van 2 maart 2011 nog niet in rechte vaststaat. Ten tweede voert opposant aan dat de overweging in randnummer 3 niet klopt, omdat zijn gemachtigde ter zitting heeft gezegd dat zij kennis heeft genomen van het besluit van 2 maart 2011 omdat dit besluit werd opgenomen in het procesdossier van het UWV welk dossier door de rechtbank op 23 november 2022 werd opgestuurd aan de gemachtigde. Dat wil uiteraard niet zeggen dat opposant op 23 november 2022 kennis heeft genomen van dat besluit. Evenmin kan uit het toezenden van het procesdossier aan de gemachtigde de gerechtvaardigde conclusie worden getrokken dat het besluit op behoorlijke wijze bekend is gemaakt en/of met het toezenden van het procesdossier de bezwaartermijn is aangevangen.
4. De rechtbank volgt opposant niet in het standpunt dat hij op 23 november 2022 niet op de hoogte zou zijn van het besluit van 2 maart 2011. De rechtbank wijst in dit kader naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat, indien een besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de beroepstermijn pas aanvangt op de dag waarop de belanghebbende het besluit onder ogen heeft gekregen dan wel op de dag waarop het besluit of een kopie daarvan na doorzending of herhaalde toezending door de belanghebbende is ontvangen op zijn actuele adres. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3685, waarin verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3985. Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337. Nu de gemachtigde van opposant zijn belangen behartigt, mogen we ervan uitgaan dat de gemachtigde haar cliënt tijdig na ontvangst van het procesdossier op de hoogte brengt van het besluit. Dat de gemachtigde dit nalaat of veel later doet, komt voor de rekening en risico van opposant. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 28 november 2024 zich niet uitgelaten over het standpunt van opposant dat het besluit van 2 maart 2011 niet onherroepelijk is geworden.
5. De rechtbank begrijpt ook niet waarom opposant niet eerder bij verweerder heeft geïnformeerd waar de beslissing op het bezwaar blijft. Temeer omdat het blijkbaar een aangelegenheid betreft die van groot belang is voor opposant.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
8 mei 2023 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: