RECHTBANK [MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2025 op het verzet van
[oppossante] , te [plaats] , opposante,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2434-V
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 27 maart 2023.
In de uitspraak van 20 juni 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 juni 2024 het beroep ongegrond verklaard, omdat de brief van 30 januari 2023 geen besluit is waar opposante bezwaar tegen kon maken en het UWV haar bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 juni 2024 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 20 juni 2023 niet juist omdat de rechtbank niet heeft uitgelegd wáárom de brief van 30 januari 2023 geen sprake is van een verandering in iemands rechten, verplichtingen of bevoegdheden en waarom niet in opposante haar rechten, verplichtingen of bevoegdheden. De rechtbank heeft in haar uitspraak enkel aangegeven dat wat opposante aan de rechtbank heeft geschreven géén reden is om hier anders over te denken. Dat is onvoldoende motivatie om deze zaak af te doen met een kennelijke ongegrondverklaring. Nog afgezien van het door opposante materieel voorgestane dat opposante alsnog een deskundige oordeel krijgt. Op onterechte en ongemotiveerde gronden is dus tot kennelijke ongegrondheid besloten.
4. Volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet onder een besluit worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het derde lid van dit artikel vermeldt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.
5. De rechtbank kwalificeert het verzoek om een deskundigenoordeel niet als een aanvraag tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Uit de tekst van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb volgt dat het daarbij moet gaan om een handeling die naar haar aard gericht is op rechtsgevolg. Het verzoek van opposante om een deskundigenoordeel te nemen, levert geen rechtsgevolgen op: opposante wil antwoord op de vraag ‘kan ik mijn eigen werk weer volledig doen?’. Een deskundigenoordeel is een advies en heeft dus geen rechtsgevolg. Gelet hierop is geen sprake van een aanvraag tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daarmee is de brief van 30 januari 2023 waarin het UWV geen deskundigenoordeel wil afgeven ook geen besluit waartegen bezwaar of beroep open kan staan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 7 januari 2009 van de Centrale Raad van Beroep.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
20 juni 2024 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: