ECLI:NL:RBMNE:2025:7149

ECLI:NL:RBMNE:2025:7149, Rechtbank Midden-Nederland, 16-04-2025, UTR 23/201

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-04-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer UTR 23/201
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

verzet ongegrond; pkv juist vastgesteld; terecht niet direct aan gemachtigde uitbetaald; wegingsfactor juist vastgesteld

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/201-V

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) van 6 december 2022.

In de uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toegewezen. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan, omdat hij het niet eens is met de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2025. Opposant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen met bericht van verhindering. Namens de BGHU is mr. D.J. Koopmans verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 januari 2024 (de buiten-zitting uitspraak) het verzoek van opposant om proceskosten toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd omdat de uitspraak alleen over proceskosten gaat. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De rechtbank heeft in de buiten-zitting uitspraak beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding van opposant. Dat de rechtbank het verzoek tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten na intrekking van het beroep terecht heeft toegewezen, staat in deze zaak niet ter discussie. Het verzet richt zich alleen tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding.

Het betoog van opposant

5. Opposant voert in verzet aan dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak de proceskostenvergoeding verkeerd heeft vastgesteld. In de bezwaarfase is € 310,- gekort naar wegingsfactor 0,25. Dat is incorrect, omdat de zaak ziet op belastingjaar 2023 en de bezwaarprocedure ook liep in 2023. Voor de bezwaarfase alleen zouden de correcte proceskostenvergoeding € 620,- moeten zijn. Het zou in strijd met het legalisatiebeginsel en Europees Recht om achteraf wetten op te leggen. Daarnaast is het onjuist om een wegingsfactor van 0,25 aan te houden in plaats van de gangbare wegingsfactor van 0,5 voor beroep. Opposant verzoekt om de correcte proceskostenvergoedingen toe te passen voor de bezwaarprocedure, de beroepsprocedure, de hoger beroepsprocedure (naar de rechtbank begrijpt: de verzetprocedure) en de griffierechten. Opposant wil aanspraak maken op de proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure die ook voor 2023 geldt en verzoekt om de proceskosten direct over te maken naar de gemachtigde. Tot slot verzoekt hij om een immateriële schadevergoeding als op het moment van de uitspraak in verzet de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

Het standpunt van verweerder

6. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 8 oktober 2024 aan dat hij het niet eens is met het standpunt van opposant dat opposant meer proceskostenvergoeding had willen krijgen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024 niet gebonden is om de richtlijnen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021 te volgen. Het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de proceskosten is daarom juist. Daarnaast heeft de Hoge Raad op 12 juli 2024 bepaald dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het tariefverschil kostenvergoeding in de bezwaarfase is. Tijdens de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de proceskosten aan de gemachtigde te betalen, en dat is inmiddels ook gebeurd. Verder heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep, zoals in deze zaak, twee jaar bedraagt. Volgens verweerder start die termijn met het indienen van het bezwaarschrift en is deze geëindigd met het bereikte compromis omdat vanaf dat moment geen onzekerheid meer bestond over de uitkomst van het geschil.

De beoordeling door de rechtbank

Wegingsfactor 0,25 in bezwaar- en beroepsfase

7. Zoals in de buiten-zitting uitspraak staat, is per 1 januari 2024 artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing, omdat de aanslag en de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateren. De rechtbank bepaalt daarom de wegingsfactor voor de proceskosten in deze zaak overeenkomstig haar uitgangspunten en aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit betekent dat de rechtbank bij het bepalen van de wegingsfactor kijkt naar het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank moet zelf, op grond van een eigen waardering, beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

8. De rechtbank heeft in de buiten-zittinguitspraak geoordeeld dat in dit geval de categorie ‘zeer licht’ van toepassing is, omdat het geschil uitsluitend nog ging over de proceskosten en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 4 september 2023.

9. De rechtbank stelt vast dat partijen een compromis hebben bereikt nadat een inhoudelijk beroepschrift was ingediend. Hoewel de rechtbank daardoor niet meer hoefde te oordelen over de WOZ-waarde, ging de zaak oorspronkelijk wel over de waardering van een woning op grond van de WOZ. Daarvoor hanteert de rechtbank in beginsel een wegingsfactor 0,5 tenzij de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt. In dit geval is daarvan geen sprake, aangezien zowel in bezwaar als in beroep specifiek is ingegaan op de staat van onderhoud van de betreffende woning. Dat betekent dat in dit geval een wegingsfactor van 0,5 van toepassing is voor zowel het bezwaar als het beroep. Het verzet is daarom gegrond.

10. De rechtbank merkt ten overvloede op dat verweerder in september 2023 een schikkingsvoorstel heeft gedaan voor de WOZ-waarde en als onderdeel van dit voorstel ook heeft aangeboden om na intrekking van het beroep de proceskosten voor bezwaar en beroep te vergoeden met een wegingsfactor van 0,5. Opposant is destijds akkoord gegaan met het voorstel voor de WOZ-waarde. Hij heeft de rechtbank echter verzocht om uitspraak te doen over de proceskosten. De rechtbank heeft dat gedaan in de uitspraak van 18 januari 2024, waartegen opposant verzet heeft ingesteld. Het bevreemdt de rechtbank dat opposant destijds niet akkoord is gegaan met de door verweerder aangeboden proceskostenvergoeding, aangezien het betoog van opposant in verzet over de proceskostenvergoeding neerkomt op het aanbod dat verweerder destijds heeft gedaan. De rechtbank heeft de indruk dat (opposant en) de gemachtigde destijds niet hebben nagedacht over de door verweerder aangeboden proceskostenvergoeding. Het lijkt erop dat de gemachtigde een standaard bericht aan de rechtbank heeft gestuurd dat het beroep wordt ingetrokken met het verzoek uitspraak te doen over de proceskosten. Het had alle partijen waarschijnlijk tijd, werk en moeite bespaard als de gemachtigde goede nota had genomen van de aangeboden proceskostenvergoeding.

Griffierecht

11. Opposant verzoekt ook om een correcte proceskostenvergoeding toe te passen voor het griffierecht.

12. De rechtbank stelt vast dat € 50,- aan griffierecht is geheven van opposant. In de buiten-zittinguitspraak staat dat verweerder € 50,- aan griffierecht moet betalen aan opposant en dat verzoeker zich hiervoor moet wenden tot verweerder gelet op artikel 8:41 van de Awb. Opposant licht niet toe wat hieraan onjuist zou zijn. Het betoog over het griffierecht volgt de rechtbank daarom niet.

De redelijke termijn

13. Opposant heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als op het moment van de uitspraak in verzet de redelijke termijn is overschreden.

14. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, verondersteld dat een betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor begint op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop voor de betrokkene duidelijkheid bestaat over het geschil ter zake waarvan het beroep is ingediend. Als die duidelijkh eid er is, mag immers verondersteld worden dat er een einde komt aan de door de betrokkene ondervonden spanning en frustratie. Deze termijn loopt dus niet door als de rechter bij een afzonderlijke uitspraak nog moet beslissen op een verzoek om proceskostenvergoeding of immateriële schadevergoeding.

15. In dit geval heeft verweerder het bezwaarschrift ontvangen op 16 maart 2022. Op 6 december 2023 heeft de gemachtigde van opposant aan de rechtbank laten weten dat partijen een compromis hebben bereikt over de waarde van de onroerende zaak. Op dat moment is er voor opposant duidelijkheid gekomen over het geschil waarvan het beroep is ingediend. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de periode van 16 maart 2022 tot en met 6 december 2023 relevant is voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn (van twee jaren) is overschreden. Van overschrijding van de redelijke termijn is dus geen sprake. Er is daarom geen aanleiding een immateriële schadevergoeding aan opposant toe te kennen.

Conclusie

16. Het verzet is gegrond. De buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Dat betekent in dit concrete geval dat de rechtbank opnieuw uitspraak zal doen op het verzoek om vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verder onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van dat verzoek. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het verzoek. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.

17. De rechtbank zal alsnog een proceskostenvergoeding toekennen aan opposant op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad heeft in een arrest van 12 juli 2024 geoordeeld dat bij de toekenning van proceskosten, punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Bpb buiten toepassing moet blijven. Als gevolg daarvan moet een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden berekend op basis van het in punt 2 van de onderdeel vermelde bedrag. Dat betekent dat voor de bezwaarprocedure wordt toegekend een bedrag van € 624,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624,- en een wegingsfactor van 0,5). Voor het beroep gaat het om € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor van 0,5). Zoals ook al in de vervallen buiten-zitting uitspraak stond, moet verweerder ook € 50,- aan griffierecht vergoeden en zal opposant zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

18. Omdat het verzet gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door opposant gemaakte kosten van de procedure. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 113,38 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,25). De wegingsfactor 0,25 (zeer licht) is toegepast gelet op de eenvoud en het geringe gewicht van de verzetprocedure alsmede de geringe werkbelasting van de gemachtigde, aangezien het verzetschrift uitsluitend gaat over de proceskostenvergoeding.

19. De totale proceskostenvergoeding bedraagt (€ 624,- en € 437,50 en € 113,38 =) € 1.174,88.

Verzoek proceskostenvergoeding rechtstreeks aan gemachtigde

20. Opposant verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde wordt overgemaakt.

21. De bestuurs- en belastingrechter zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of andere wettelijke regelingen niet gehouden om te beslissen op een verzoek van een partij om het bedrag te betalen aan een derde, zoals de gemachtigde. De Awb regelt dat de rechtbank in een uitspraak beslist over de verschuldigdheid van de vergoedingen, maar niet ook over de feitelijke uitbetaling daarvan. De rechtbank voegt toe dat de vergoedingen niet aangemerkt worden als een bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van titel 4.4 van de Awb. De rechtbank komt dus niet toe aan het verzoek van opposant om te beslissen dat de uitbetaling van de vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk ingaan op de bezwaren van opposant tegen artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ. De wet biedt hiertoe namelijk geen grondslag.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant tot een totaalbedrag van € 1.174,88;

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen de uitspraak in verzet kunt u niet in hoger beroep. Tegen de in beroep kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Helmich

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?