RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/5580, 23/5581 en 23/5582-V
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de verzoeken van opposant om vergoeding van zijn proceskosten.
In de uitspraak van 14 november 2024 heeft de rechtbank zijn verzoeken afgewezen. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op
24 maart 2025.
Opposant is verschenen. Namens de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) is mr. D.J. Koopmans verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 november 2024 de verzoeken om proceskosten afgewezen, omdat niet is gebleken dat opposant proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of het verzoek om proceskostenvergoeding terecht zijn afgewezen en de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2024 in stand kan blijven. De rechtbank moet dus beoordelen of door de argumenten van opposant twijfel ontstaat over die eerdere uitkomst. Zo nee, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2024 niet juist omdat de overheid grove fouten heeft gemaakt waardoor opposant in bezwaar en beroep moest gaan bij de rechtbank. De uitspraak en de daaraan voorafgaande procedure weerspiegelen een tekort aan empathie en begrip voor de persoonlijke situatie van opposant. In plaats van maatwerk te bieden en rekening te houden met individuele omstandigheden is er gekozen voor een rigide toepassing van regels. In onderhavige uitspraak verwijst de rechtbank op geen enkel punt naar de rol van de BGHU in deze zaak. Ter zitting voert opposant aan dat dat hij werkt als zzp’er en dat hij ook overdag onder werktijd telefonisch contact heeft gehad met de BGHU over zijn bezwaar en beroep. Opposant vindt dat dat kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen.
4. Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op:a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht;c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende;d. verletkosten van een partij of een belanghebbende;e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, enf. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
5. Opposant heeft aangevoerd kosten voor tijdsinvestering vanwege onnodige gang van zaken veroorzaakt door BGHU en voorbereidingen in de beroepszaak te hebben gemaakt en verzoekt om een vergoeding van de verletskosten voor een bedrag van € 310,-.
6. De rechtbank begrijpt dat de gang van zaken met betrekking tot BGHU veel tijd heeft gekost en erg frustrerend is geweest voor opposant, maar heeft zich te houden aan het Besluit. Ten aanzien van de verletkosten die opposant stelt te hebben gemaakt, overweegt de rechtbank dat dit geen kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen. Verletkosten zijn – kortgezegd – kosten van tijdsverzuim voor het bijwonen van een zitting. Het gaat dus niet om voorbereidende handelingen. Daarnaast wordt verwacht dat opposant het indienen van een beroepsschrift en bezwaarschrift in zijn eigen tijd doet. Het is niet gebleken dat opposant hier verlof voor heeft moeten opnemen. In wat opposant heeft aangevoerd in verzet ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de rechtbank destijds onjuist was.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
14 november 2024 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.