ECLI:NL:RBMNE:2025:7152

ECLI:NL:RBMNE:2025:7152, Rechtbank Midden-Nederland, 17-07-2025, UTR 24/7414

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 17-07-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer UTR 24/7414
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Awb; 8:119; verzoek om herziening afwijzen; geen nieuwe feiten / omstandigheden

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 op het verzoek van

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster.

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/7414

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om herziening van verzoekster van de uitspraken van deze rechtbank van 20 maart 2023, 29 april 2024, 10 juli 2024 en 11 oktober 2024. De rechtbank beoordeelt het verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en aan de hand van de feiten en omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen, omdat wat verzoekster heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn waardoor het bijzondere rechtsmiddel van herziening zou moeten slagen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

2. De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2025. Verzoekster is verschenen. Namens de gemeente Vijfheerenlanden zijn mevrouw [A] en mevrouw [B] verschenen.

Overwegingen

3. Verzoekster heeft op 3 november 2022, ontvangen door de rechtbank op 7 november 2022, beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeente Vijfheerenlanden van 26 september 2022. In dit besluit is het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet aangemerkt kan worden als belanghebbende. Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het hiertegen door verzoekster ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

4. Verzoekster is hiertegen in verzet gegaan. Bij uitspraak van 29 april 2024 is het verzet ongegrond verklaard. Hierna heeft verzoekster een verzoek om herziening bij de rechtbank ingediend. Op 10 juli 2024 heeft de rechtbank het herzieningsverzoek afgewezen. Op 17 juli 2024 heeft de rechtbank wederom een herzieningsverzoek ontvangen. Dit herzieningsverzoek heeft de rechtbank bij uitspraak van 11 oktober 2024 afgewezen.

5. Op 16 oktober 2024, ontvangen door de rechtbank op 21 oktober 2024, heeft verzoekster nogmaals een herzieningsverzoek ingediend.

Waar ziet het verzoek om herziening op?

6. Voor zover het herzieningsverzoek van verzoekster ziet op de algemene behandeling van haar beroep, overweeg de rechtbank het volgende. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening biedt een partij niet de mogelijkheid om, anders dan op grond van een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin een debat over de betrokken uitspraak (uitspraken) te openen. Dat betekent dat het verzoek om herziening er niet oe leidt dat alles opnieuw ter sprake kan worden gebracht.

Voor zover het verzoek om herziening gericht is tegen de uitspraak van 11 oktober 2024 en 10 juli 2024, overweegt de rechtbank dat dit herzieningsuitspraken zijn. Met die uitspraken werden de verzoeken om herziening afgewezen. Een herziening van herzieningsuitspraken is niet mogelijk, omdat alleen van de oorspronkelijke uitspraak herziening kan worden gevraagd. De rechtbank zal het verzoek van verzoekster daarom, alsmede gelet op de inhoud van het verzoek en hetgeen ter zitting is besproken, opvatten als een verzoek om herziening van de uitspraak van 29 april 2024, waarvan verzoekster oorspronkelijk herziening heeft gevraagd..

Waarom slaagt het verzoek om herziening niet?

7. Op verzoek van een partij kan de rechtbank een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak, die bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die – waren zij de rechtbank eerder bekend geweest – tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de hiervoor genoemde cumulatieve criteria wil een verzoek om voor herziening toewijzing in aanmerking komen.

8. De uitspraak van 29 april 2024 gaat – in de kern – over de vraag of verzoekster als belanghebbende bij het (primaire) besluit had moeten worden ontvangen in haar bezwaar. Verzoekster heeft er op gewezen dat zij voorheen eigenaar was van een van de percelen waar een voorkeursrecht op is gevestigd. Volgens verzoekster heeft zij dit perceel aan de gemeente verkocht en daarbij bedongen dat het perceel niet aan derden mag worden doorverkocht. Volgens verzoekster brengt dit met zich dat zij ook als belanghebbende moet worden aangemerkt.

9. De rechtbank overweegt dat deze stelling geen feit betreft die tot herziening kan leiden. Daargelaten of een dergelijk beding bij eerdere verkoop wel tot belanghebbendheid had kunnen leiden, heeft verzoekster op de zitting naar voren gebracht dat zij een akte met een dergelijk beding al tijdens de eerdere procedures in bezit had, maar deze niet heeft overgelegd aan de gemeente en ook niet aan de rechtbank. Dat betekent dat – zelfs al zou de akte alsnog in deze procedure zijn overgelegd – geen sprake is van een feit of omstandigheid die bij verzoekster voor de uitspraak van 29 april 2024 niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend kon zijn. De stelling voldoet dus niet aan de criteria om een verzoek om herziening toe te wijzen.

10. Ook overigens ziet de rechtbank in de onderbouwing van het verzoek om herziening geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb die betrekking hebben op de vraag of verzoekster belanghebbende is, die zij niet eerder heeft dan wel had kunnen aanvoeren. Dat verzoekster het niet eens is met de uitspraak van 29 april 2024 of de door verzoekster gemaakte opmerkingen over de procedure en werkwijze van de gemeente – wat daar ook van zij – vormen geen grond voor herziening.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Verzoekster krijgt het griffierecht niet terug. Er is ook geen reden voor vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.J. Blok

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?