RECHTBANK
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2025 op het verzet van
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7879-V
[opposant] , te [plaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend omdat Dienst/Toeslagen (verweerder) volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 mei 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
In de uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 februari 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in haar uitspraak van
21 februari 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de genoemde uitspraak niet juist was.
3. Uit de verzetsgronden van opposant begrijpt de rechtbank dat de partner van opposant heeft beoogd om het griffierecht van € 51,- met betrekking tot het beroep van opposant te betalen. Per abuis heeft zij daarbij het betalingskenmerk aangehouden dat betrekking had op haar eigen, afzonderlijk ingediende beroep. Als gevolg daarvan heeft de partner van opposant het verschuldigde griffierecht in haar eigen zaak twee keer voldaan. Eén bedrag van € 51,- is vervolgens direct teruggestort door het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR). Het griffierecht in de zaak van opposant is vervolgens aanvankelijk onbetaald gebleven. Opposant heeft het griffierecht in zijn zaak alsnog voldaan op 7 maart 2025.
4. Beide griffierechtbedragen zijn dus aanvankelijk voldaan in de zaak van de partner van opposant. Het LDCR heeft niet kunnen onderkennen dat één betaling van € 51,- eigenlijk bestemd was voor de zaak van opposant. Het LDCR heeft dan ook terecht in de zaak van de partner van opposant één te veel verrichte betaling gerestitueerd. Toen opposant dit bedrag gerestitueerd had gekregen, had hij nog tijdig kunnen begrijpen dat er mogelijk iets niet goed gegaan was met de verrichte betalingen. Opposant heeft hierop evenwel geen actie ondernomen. De omstandigheid dat het griffierecht in zijn zaak niet tijdig was voldaan, komt daarom voor zijn rekening in risico. Dit verzuim heeft hij niet kunnen hertstellen door het griffierecht op 7 maart 2025 alsnog te voldoen.
5. Het verzet is ongegrond en de uitspraak van 21 februari 2025 blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
6. De rechtbank zal het bedrag van € 51,-, dat opposant op 7 maart 2025 alsnog heeft voldaan, terugstorten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: