RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1318-V
Procesverloop
Opposant heeft op 18 en 26 februari 2025 beroep ingediend bij de rechtbank. Kort samengevat heeft hij in zijn beroepschrift zijn pijlen gericht op het it-beleid van het Uwv.
In de uitspraak van 19 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat opposant geen besluit heeft overgelegd waartegen zijn beroep zich richt. Voorts was er volgens de rechtbank ook helemaal geen besluit van het Uwv waartegen opposant bij de rechtbank kon ageren. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De zitting heeft plaatsgevonden op
8 oktober 2025. Opposant is ter zitting verschenen.
Na de sluiting van het onderzoek, op 10 oktober 2025, heeft opposant de rechtbank per mail nadere stukken gestuurd. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Overwegingen
1. In deze verzetsprocedure moet de rechtbank beoordelen of zij op 19 mei 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat haar uitspraak 19 mei 2025 niet juist was.
2. Opposant voert aan dat de rechtbank hem bij brief van 13 mei 2025 heeft meegedeeld dat zijn zaak compleet is. Dit strookt volgens hem niet met de uitspraak van 19 mei 2025, waarin de rechtbank hem heeft tegengeworpen dat hij geen besluit heeft overgelegd. Voorts stelt opposant dat hij niet bekend is met de brief van 14 maart 2025, waarin de rechtbank hem heeft verzocht om het besluit waartegen hij ageert over te leggen.
3. De rechtbank gaat ervan uit dat opposant de genoemde brief van 14 maart 2025 in goede orde heeft ontvangen. Zij overweegt hiertoe dat opposant deze brief als bijlage heeft meegestuurd bij zijn e-mails aan de rechtbank van 20 en 29 maart 2025. Voorts staat het vast dat opposant geen besluit heeft overgelegd. In zijn verzetsschrift en ter zitting heeft opposant toegelicht dat er helemaal geen concreet besluit van het Uwv is waartegen zijn beroep zicht richt. Hij heeft zich bij wijze van “laatste redmiddel” tot de rechtbank gewend, omdat hij bij het Uwv en diverse andere overheidsinstanties geen gehoor vindt met zijn klachten over het
it-beleid van het Uwv. Op grond van deze feiten en de beschreven toelichting heeft de rechtbank in haar uitspraak van 19 mei 2025 terecht geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Door het niet-overleggen van een concreet besluit (en het feitelijk ontbreken daarvan) is er voor opposant geen ingang geweest tot de bestuursrechter.
4. De discussie over de vraag of de zaak van opposant “compleet” was, is juridisch een wat verwarrende aangelegenheid. De rechtbank legt uit hoe het woord “compleet” moet worden begrepen. Met de brief van 14 maart 2025 heeft de rechtbank in de richting van opposant aangegeven dat zijn beroepschrift van 18 en 26 februari 2025 (nog) niet aan de vereisten voor ontvankelijkheid voldeed. Het was voor de rechtbank op dat moment immers onduidelijk tegen welk besluit opposant beroep instelde. In zoverre was het beroepschrift van opposant nog niet “compleet” in de zin van “volledig om ontvankelijk te zijn”. Omdat eiser niet had gereageerd op de brief van 14 maart 2025, was het nadien voor de rechtbank al duidelijk dat er op het beroep van opposant beslist kon worden. Dit beroep zou namelijk niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het feit dat opposant geen besluit had overgelegd waartegen zijn beroep zich richtte. Tegen die achtergrond kon de rechtbank aan opposant bij brief van 13 mei 2025 meedelen dat zijn zaak compleet was. “Compleet” dient dan te worden verstaan als “gereed om over die zaak een oordeel te vellen”. Samengevat: het dossier was dus compleet voor het oordeel dat het beroep niet compleet (en daarmee niet-ontvankelijk) was.
5. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2025 in stand blijft. De rechtbank komt daardoor niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de klachten van opposant tegen het it-beleid van het Uwv. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor opposant onbevredigend is. Zij kan opposant evenwel slechts in overweging geven om juridische informatie in te winnen omtrent de mogelijkheden en ingangen om zijn klachten over het Uwv te adresseren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: