ECLI:NL:RBMNE:2025:7164

ECLI:NL:RBMNE:2025:7164, Rechtbank Midden-Nederland, 24-09-2025, UTR 23/5070

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-09-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer UTR 23/5070
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

verzet gegrond; beroep gegrond; onjuiste pkv toegepast 0,5

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/5070-V

(gemachtigde: mr. W. de Klein).

Procesverloop

In de uitspraak van 22 januari 2024 heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de korpschef van de politie (geopposeerde) gegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

De rechtbank heeft partijen met de brieven van 13 mei 2025 gevraagd om het de rechtbank binnen twee weken te laten weten wanneer zij een zitting wensen. Daarbij zijn partijen gewezen op de mogelijkheid dat de rechtbank ook inhoudelijk de zaak afdoet. Partijen hebben niet gereageerd op deze brief.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzet

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 januari 2024 het beroep gegrond verklaard omdat geopposeerde niet tijdig een besluit heeft genomen op het bezwaar van opposant. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2024 niet juist. Op het moment dat uitspraak werd gedaan, was de dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb reeds volgelopen waardoor geopposeerde de maximale dwangsom verbeurt ten bedrage van

€ 1.442,-. Ten tijde van het instellen van beroep was dat nog niet het geval en derhalve is dat toen niet aangevoerd in het beroepsschrift. De dwangsom had wel in het dictum opgenomen moeten worden nu de rechtbank bevoegd is om op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Vorenstaande klemt des te meer nu geopposeerde, ondanks een rappelmail van opposant van 8 februari 2024, geen dwangsombeschikking heeft genomen en bekend heeft gemaakt. Verder is opposant van oordeel dat in de uitspraak 0,5 procespunt had moeten worden toegekend gelet op de sinds 2016 gewijzigde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep

3. De rechtbank stelt vast dat het verzet is gericht tegen (het achterwege blijven van) nevendicta.

4. Wat opposant heeft aangevoerd over het niet veroordelen van geopposeerde tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsom, kan niet tot een gegrond verzet leiden. Aangezien opposant in de hoofdzaak niet heeft verzocht om een dergelijke veroordeling, heeft de rechtbank daar terecht geen uitspraak over gedaan. Anders dan opposant meent, gaat het aanvullen van de rechtsgronden niet zo ver, dat de rechtbank op een niet gedaan verzoek als hier aan de orde kan beslissen.

5. Het verzet is wel gegrond, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft. De lijn van deze rechtbank ten aanzien van beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit en de daarbij te hanteren wegingsfactor bij het bepalen van de proceskostenveroordeling heeft veel discussie opgeleverd en de rechtbank heeft, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2024, sinds enige tijd deze lijn verlaten. De rechtbank gaat nu uit van een wegingsfactor 0,5. Uit het oogpunt van rechtsbescherming dient daarom ook in dit geval de nieuwe lijn te worden toegepast.

6. In het licht van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 1996 is het naar het oordeel van de rechtbank niet aangewezen om daarom de hele uitspraak van 22 januari 2024 te laten vervallen. De rechtbank zal deze uitspraak dan ook alleen laten vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van de Awb onjuist is toegepast. Ter zake hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zittinguitspraak van 22 januari 2024 werd gedaan.

Ten aanzien van het beroep

7. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.

8. De rechtbank zal geopposeerde veroordelen in de proceskosten van opposant in beroep. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Toegekend wordt

€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van

€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet en het beroep zijn gegrond.

10. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank geopposeerde ook in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart de uitspraak van 22 januari 2024 vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van de Awb onjuist is toegepast;

- laat de uitspraak van 22 januari 2024 voor het overige in stand;

- veroordeelt geopposeerde, voor zover dit nog niet door geopposeerde is voldaan, tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in beroep, tot een bedrag van

€ 453,50;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in verzet, tot een bedrag van € 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.C. Stijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?