ECLI:NL:RBMNE:2025:7180

ECLI:NL:RBMNE:2025:7180, Rechtbank Midden-Nederland, 29-12-2025, 11895928 \ UE VERZ 25-286

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer 11895928 \ UE VERZ 25-286
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

artt 7:681 lid 1 sub c en 7:646 BW. Proeftijdontslag om financiële redenen nadat werkneemster had verteld dat zij zwanger is. Vacature en in dienst nemen nieuwe werknemer. Vernietiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 11895928 \ UE VERZ 25-286

Beschikking van 29 december 2025

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. H. den Besten,

tegen

de besloten vennootschap

AYUVANT B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht,

verwerende partij,

hierna te noemen: Ayuvant,

gemachtigde: mr. S.J. van IJsendoorn.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoekster] om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd door Ayuvant. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 8 producties

- het verweerschrift met 7 producties

- een aanvullende productie 9 van de zijde van [verzoekster]

- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. [verzoekster] was aanwezig met haar partner. Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Den Besten. Namens Ayuvant was aanwezig [A] , [functie 1] , bijgestaan door de gemachtigde,

mr. Van IJssendoorn. Aan het einde van de zitting is de zaak aangehouden voor overleg over de mogelijkheid voor een minnelijke regeling. [verzoekster] heeft op 28 november 2025 de rechtbank laten weten dat partijen geen regeling hebben getroffen.

Daarna is de beschikking bepaald op vandaag.

2. De achtergrond van de zaak

[verzoekster] is op 1 augustus 2025 in dienst getreden bij Ayuvant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar. De functie van [verzoekster] is [functie 2] met een loon van € 4.861,11 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, voor 40 uur per week. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is een proeftijd overeengekomen van één maand.

Ayuvant is een startup biotechnologiebedrijf, opgericht in 2023, dat zich richt op de ontwikkeling van therapie tegen kanker. Ayuvant is afhankelijk van externe financiering. Ayuvant is een dochteronderneming van Ayuvant Inc, de onderneming die investeringen ontvangt. Bij Ayuvant zijn vier personen werkzaam.

[verzoekster] is op vrijdag 1 augustus 2025 gestart met haar werk voor Ayuvant. Zij heeft tijdens deze werkdag aan daar aanwezige collega’s verteld dat zij zwanger is. De heer [B] , [functie 3] ( [functie 3] ) van Ayuvant, heeft haar toen gefeliciteerd.

Op zondagavond 3 augustus 2025 om 22:44 uur heeft Ayuvant [verzoekster] per e-mail van haar [functie 1] , de heer [A] , meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigt met een beroep op het proeftijdbeding in de arbeidsovereenkomst. Ayuvant heeft hiervoor als reden genoemd dat sprake is van een plotselinge verandering van de financiële situatie binnen Ayuvant. Ayuvant heeft daarbij toegezegd dat zij ter compensatie nog een week salaris zal doorbetalen.

Op 6 augustus 2025 heeft [verzoekster] haar collega’s bij Ayuvant geïnformeerd dat als gevolg van de veranderde financiële omstandigheden bij Ayuvant er geen financiering voor haar functie meer was.

Op 13 augustus 2025 heeft [verzoekster] geconstateerd dat op de website [website] (hierna: [website] ) een vacature is geplaatst voor de functie van ‘ [.] )’ bij Ayuvant.

Op 10 september 2025 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan Ayuvant meegedeeld dat de opgegeven reden voor het proeftijdontslag een valse reden was en dat het proeftijdontslag in strijd is met het verbod op discriminatie vanwege zwangerschap. Ayuvant heeft dit ontkend.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en Ayuvant te veroordelen om haar weder te werk te stellen tegen betaling van haar salaris. Subsidiair verzoekt [verzoekster] Ayuvant te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van haar jaarsalaris. Daarnaast heeft [verzoekster] nevenverzoeken ingediend en verzocht Ayuvant te veroordelen in de werkelijk gemaakte advocaatkosten.

3. De beoordeling

De standpunten van partijen

[verzoekster] heeft aangevoerd dat Ayuvant, door haar tijdens de proeftijd te ontslaan, heeft gehandeld in strijd met het discriminatieverbod van artikel 7:646 BW en/of de Wgbm en/of artikel 1 van de Grondwet en Richtlijn 92/85/EEG en ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:673 lid 9 BW). [verzoekster] stelt dat niet de door Ayuvant genoemde financiële nood, maar haar zwangerschap de reden was voor het ontslag. De opzegging moet volgens [verzoekster] daarom op grond van artikel 7:681 BW worden vernietigd met toekenning van een immateriële schadevergoeding. Subsidiair, voor het geval het ontslag niet wordt vernietigd, verzoekt [verzoekster] om toekenning van de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en een immateriële schadevergoeding.

Ayuvant voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Ayuvant voert ‑ samengevat ‑ aan dat de financiële situatie begin augustus 2025 de enige reden was om het dienstverband tijdens de proeftijd te beëindigen. Zij heeft op 3 augustus 2025 van haar investeerder het bericht gekregen dat extra investeringsgelden worden bevroren met het verzoek alle extra uitgaven te staken totdat nieuw kapitaal is opgehaald. Ayuvant had daarom geen andere mogelijkheid dan de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen. De daarna op [website] geplaatste vacature was uitsluitend bedoeld om een bredere kandidatenpool te creëren in het vooruitzicht van mogelijke toekomstige financiering.

De opzegging tijdens de proeftijd is niet rechtsgeldig

De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is omdat het in strijd is met het verbod op onderscheid naar geslacht.

Indien een proeftijd is bedongen en de proeftijd nog niet is verstreken, is de werkgever bevoegd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen zonder dat daarvoor instemming van de werknemer is vereist. De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigen of ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met een verbod op onderscheid, waaronder het verbod op onderscheid tussen mannen en vrouwen als bedoeld in artikel 7:646 BW.

Op grond van artikel 7:646 lid 1 BW mag een werkgever geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer het aangaan van een arbeidsovereenkomst en de opzegging daarvan. Het maken van onderscheid op grond van zwangerschap is een vorm van direct onderscheid op grond van geslacht. Uit lid 12 van artikel 7:646 BW volgt dat de werkgever dient te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is gehandeld, als de werknemer in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden.

Niet in geschil is dat een geldige proeftijd is overeengekomen en dat Ayuvant tijdig, voor het einde van de proeftijd, heeft opgezegd.

Niet in geschil is verder dat [verzoekster] niet gelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het proeftijdontslag en de daarvoor opgegeven reden. Ter zitting is gebleken dat [verzoekster] bij aanvang van het dienstverband wist dat Ayuvant een klein bedrijf in de start up fase is dat financieel volledig afhankelijk is van investeerders voor de financiering van haar onderzoek. Dat was ook de reden dat [verzoekster] op 6 augustus in een mail haar collega’s bedankte voor de korte samenwerking en verwees naar deze door de [functie 1] opgegeven reden. Dat laat echter onverlet dat de opgegeven reden voor het proeftijdontslag wel juist moet zijn. Ayuvant onderbouwt dit met een, pas na het verzoek om verhinderdata op 1 oktober 2025 overgelegde, e-mail van de investeerder waaruit dit volgt, en een pas tijdens deze procedure overgelegd bankafschrift waaruit blijkt dat zij begin augustus 2025 € 27.000,00 in kas had, zonder overlegging van nadere financiële stukken. Het had op de weg van Ayuvant gelegen om dergelijke stukken wel eerder over te leggen, zeker nadat zij de brief van de gemachtigde van [verzoekster] van 10 september 2025 had ontvangen.

De kantonrechter stelt verder vast dat de gedragingen van Ayuvant nadien tot de conclusie leiden dat de zwangerschap van [verzoekster] de reden was voor het proeftijdontslag.

[verzoekster] zag kort na haar ontslag, op 10 augustus 2025, op [website] dat Ayuvant weer een vacature had geplaatst voor haar functie. Ayuvant heeft niet weersproken dat deze vacature dezelfde vacature is als de vacature waarop [verzoekster] in mei 2025 had gesolliciteerd. Ayuvant stelt dat de vacature van 10 augustus 2025 nooit is vervuld en alleen was bedoeld om een pool te creëren van kandidaten die beschikbaar zouden zijn als er weer investeringen mogelijk zijn. Ayuvant heeft ter zitting echter niet kunnen uitleggen waarom zij [verzoekster] niet heeft benaderd voor deze pool. Ayuvant heeft als reden genoemd dat zij niet wist of [verzoekster] nog beschikbaar zou zijn. De kantonrechter volgt dit niet. Tussen het proeftijdontslag en de vacature voor de pool van beschikbare kandidaten zit echter maar een korte periode van 10 dagen. Bovendien heeft Ayuvant ter zitting betoogd dat haar financiële situatie als gevolg van de investeringsstop nog steeds precair is, zodat het aanleggen van een pool van beschikbare kandidaten voor de toekomst niet logisch is en het ook voor deze kandidaten nog maar de vraag zou zijn of zij in de (verdere) toekomst nog beschikbaar zouden zijn.

[verzoekster] heeft er tijdens de zitting bovendien op gewezen dat Ayuvant per

1 oktober 2025 een nieuwe onderzoeker, [C] , in dienst heeft genomen. Ayuvant heeft toegelicht dat deze onderzoeker in de plaats van een andere werkneemster van wie de arbeidsovereenkomst was geëindigd, in dienst is gekomen. [C] zou aanvankelijk op 1 september 2025 in dienst treden maar Ayuvant had zijn indiensttreding per die datum ‘on hold’ gezet. Nu [verzoekster] op 1 augustus 2025 al in dienst was bij Ayuvant en [C] nog niet, was een meer logische keuze geweest [verzoekster] in dienst te houden in plaats van [C] twee maanden later alsnog in dienst te nemen. [verzoekster] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij de onderzoeksfunctie van

[C] met haar ervaring had kunnen verrichten als zij daarvoor was benaderd.

Ayuvant heeft hiervoor als verklaring gegeven dat [C] op zijn naam een voor Ayuvant bruikbaar patent had en een lager salaris dan [verzoekster] ontvangt. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om deze keuze te rechtvaardigen, temeer daar Ayuvant voorafgaand aan de indiensttreding van [C] op de hoogte was van het - herziene - standpunt van [verzoekster] .

De [functie 1] van Ayuvant stelt dat hij nog niet op de hoogte was van de zwangerschap van [verzoekster] op het moment van het proeftijdontslag en dat dit daarom geen rol heeft gespeeld bij het ontslag tijdens de proeftijd vanwege financiële redenen. Vaststaat dat de heer [B] , [functie 3] van Ayuvant, tevens de leidinggevende van [verzoekster] , op 1 augustus 2025 wel bekend was met deze zwangerschap, zodat deze wetenschap Ayuvant als werkgever kan worden toegerekend, althans het in haar risicosfeer ligt dat zij direct tot het ontslag is overgegaan terwijl er een proeftijd van een maand gold. Bovendien staan de hiervoor omschreven gedragingen van Ayuvant haaks op de opgegeven reden, zodat de omstandigheid dat de [functie 1] van Ayuvant ten tijde van het ontslag niet op de hoogte was van de zwangerschap de navolgende conclusie niet anders maakt.

De kantonrechter is op grond van al het voorgaande van oordeel dat Ayuvant er niet in is geslaagd om het vermoeden van onderscheid naar geslacht te weerleggen. Daarmee is komen vast te staan dat sprake is van een verboden onderscheid in de zin van artikel 7:646 BW bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat Ayuvant de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet rechtsgeldig heeft opgezegd.

Het primaire verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt daarom toegewezen. Omdat [verzoekster] zwanger is en naar verwachting in januari 2026 zal bevallen, zal het verzoek tot wedertewerkstelling worden toegewezen indien en voor zover zij daartoe medisch in staat is. [verzoekster] heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. Het verzoek van [verzoekster] tot doorbetaling van het loon vanaf 3 augustus 2025 op basis van een jaarsalaris van € 63.000,00 bruto inclusief vakantiegeld zal daarom ook worden toegewezen. Het reeds betaalde salaris dient daarop in mindering te worden gebracht. Het verzoek van [verzoekster] te bepalen dat Ayuvant een dwangsom moet betalen als zij in gebreke blijft [verzoekster] te werk te stellen wordt afgewezen omdat het zwangerschaps- en bevallingsverlof van [verzoekster] op dit moment is ingegaan of binnenkort zal ingaan. Daardoor is niet bekend wanneer [verzoekster] weer in staat is om haar werkzaamheden te hervatten en Ayuvant haar te werk moet stellen.

De immateriële schadevergoeding wordt afgewezen

[verzoekster] verzoekt om toekenning van een immateriële schadevergoeding van

€ 2.500,- netto wegens schending van een fundamenteel recht. De kantonrechter gaat er vanuit dat de door [verzoekster] gevorderde immateriële schade zijn grondslag vindt in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Ayuvant voert daartegen verweer. Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding is in dit geval geen plaats. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] geestelijk letsel heeft opgelopen door de handelwijze van Ayuvant. [verzoekster] heeft haar vordering niet nader onderbouwd. De omstandigheid dat Ayuvant een verboden onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, is niet voldoende. De kantonrechter zal daarom het verzoek om toekenning van immateriële schade afwijzen.

De wettelijke verhoging en de wettelijke rente

De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het loon zullen ook worden toegewezen, omdat Ayuvant te laat heeft betaald. Het verweer van Ayuvant dat toewijzing van wettelijke verhoging en wettelijke rente niet redelijk is omdat zij pas met deze beschikking het loon is verschuldigd, volgt de kantonrechter niet. [verzoekster] heeft zich na het ontslag beschikbaar gesteld voor werk maar Ayuvant is daarop niet ingegaan. De gevolgen van de te late loonbetaling als gevolg van de ongeldige opzegging moeten daarom voor rekening en risico van Ayuvant komen. De wettelijke verhoging zal wel worden gematigd tot 25% omdat Ayuvant niet direct maar pas met de brief van de gemachtigde van [verzoekster] van 10 september 2025 bekend was met de loonaanspraak van [verzoekster] . De wettelijke rente over het achterstallige loon zal worden toegewezen vanaf de data van opeisbaarheid.

Aan de overige subsidiaire verzoeken wordt niet meer toegekomen

De kantonrechter komt niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiaire verzoeken omdat het primaire verzoek tot vernietiging van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen.

De werkelijke advocaatkosten worden afgewezen

Het verzoek om veroordeling van Ayuvant in de werkelijke advocaatkosten wordt afgewezen omdat [verzoekster] niet heeft gesteld welke kosten zij heeft gemaakt. [verzoekster] heeft ook geen bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van haar advocaatkosten.

Proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van Ayuvant, omdat Ayuvant overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De kantonrechter

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,

veroordeelt Ayuvant om [verzoekster] weer te werk te stellen zodra zij daartoe medisch weer in staat is, met doorbetaling van loon met ingang van 3 augustus 2025 gebaseerd op een jaarsalaris van € 63.000,00 inclusief vakantiegeld, verminderd met het al betaalde loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% op de voet van artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt Ayuvant in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Ayuvant niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.

40160

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/21 AR-Updates.nl 2026-0082
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?