RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4322
(gemachtigde: mr. U. Özcan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een proceskostenvergoeding van verzoeker. Verzoeker heeft in eerste instantie beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 november 2024 tegen het besluit van 30 oktober 2024. Verweerder heeft op 11 november 2025 een beslissing genomen op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
Op verzoek van de rechtbank om een reactie hierop, heeft verweerder schriftelijk meegedeeld dat geen aanleiding wordt gezien om de proceskosten te vergoeden omdat geen ingebrekestelling is ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de betrokkene beroep instellen. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit volgt uit artikel 6:12 van de Awb.
4. Verzoeker stelt op 29 mei 2025 per e-mail een ingebrekestelling te hebben gestuurd aan verweerder. Verweerder stelt geen ingebrekestelling te hebben ontvangen en wijst er bovendien op dat de elektronische weg niet is opengesteld voor ingebrekestellingen.
5. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Vaststaat dat het Uwv niet kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van elektronische verzending van berichten aan het Uwv is opengesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker geen ingebrekestelling heeft verstuurd vóór het indienen van het beroepschrift van 23 juli 2025. Verzoeker wijst nog op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2017, maar anders dan in die uitspraak zijn er in deze procedure geen mededelingen gedaan door verweerder waardoor verzoeker er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij de ingebrekestelling toch per e-mail mocht versturen.
6. Nu verzoeker niet kan onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van aangetekende verzending, dat voorafgaand aan het beroep niet tijdig beslissen een ingebrekestelling is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu geen ingebrekestelling aan het beroep niet tijdig beslissen ten grondslag ligt was het beroep niet-ontvankelijk. Doordat het beroep is ingetrokken, komt de rechtbank niet toe aan een niet-ontvankelijkverklaring. Het betekent wel dat een verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: