RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen
Stichting Break Out 2.0, uit Leerdam, verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6806
(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),
en
(gemachtigde: mr. M. de Vries).
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de intrekking van de aan verzoekster verleende subsidie. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft het college de aan verzoekster verleende subsidie ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening.
Verzoekster is op 28 november 2025 gevraagd om nader te onderbouwen waar het spoedeisend belang in is gelegen. Hiervoor heeft de rechtbank een termijn van één week gegeven.
Op 9 december 2025 heeft de rechtbank uitstel gegeven voor deze termijn, omdat verzoekster aangeeft dat de brief haar pas op 5 december 2025 heeft bereikt. De rechtbank heeft hiervoor een termijn gegeven tot uiterlijk 15 december 2025.
Op 12 december 2025 heeft de rechtbank bericht ontvangen van verzoekster, echter zonder nadere onderbouwing van het spoedeisend belang.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekster voert hierover aan dat de schade van het bestreden besluit enorm is, het besluit het bestaansrecht van de stichting bedreigt en de gevolgen onomkeerbaar zijn. Daarnaast zou het werk van de stichting stil komen te liggen. Ook zou dit leiden tot onomkeerbare reputatieschade.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het in onderhavige zaak om een financieel geschil. De stellingen van verzoekster, dat dit zou leiden tot onomkeerbare reputatieschade, dat de schade enorm is of dat het werk van de stichting stil zou komen te liggen, is in het geheel niet onderbouwd. Daarnaast heeft verzoekster geen stukken ingebracht om zijn stelling te onderbouwen dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, wat het bestaansrecht van de stichting zou bedreigen. Verzoekster heeft niet inhoudelijk gereageerd op de vraag om het spoedeisend belang nader toe te lichten, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie of een andere onomkeerbare situatie.
5. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Is het besluit evident onrechtmatig?
6. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. In het geval van het onderhavige verzoek, waarbij het belang louter van financiële aard is, is daarvan sprake als alleen al op basis van een eerste lezing van de meest essentiële stukken, het buiten elke twijfel is dat aan het bestreden besluit ernstige gebreken kleven waarvan vaststaat dat die niet meer kunnen worden hersteld in de bezwaarfase. Op grond van de inhoud van het bestreden besluit, het verzoekschrift, het bezwaarschrift en de stukken van het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar (vooralsnog) geen sprake van is. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: