ECLI:NL:RBMNE:2025:7207

ECLI:NL:RBMNE:2025:7207, Rechtbank Midden-Nederland, 31-12-2025, 11996441 \ ME VERZ 25-172

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer 11996441 \ ME VERZ 25-172
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

artikel 96 Rv; gezamenlijke vordering dat medehuurder huurovereenkomst gehuurde niet zal voortzetten artikel 7:267 lid 7 BW.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11996441 \ ME VERZ 25-172

Vonnis van 31 december 2025

in de zaak van

1. [eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,2. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partijen,

gemachtigde: mr. R. Zwiers.

Partijen worden aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [eiser] ”.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 3 december 2025. Partijen hebben op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gezamenlijk verzoek ingediend.

2. De feiten

[eiseres] en [eiser] hadden een affectieve relatie en hebben op 20 juli 2022 beiden als contractueel huurder een huurovereenkomst gesloten met Woningstichting GoedeStede, gevestigd In Almere, voor de woonruimte aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

De relatie van [eiseres] en [eiser] is beëindigd, waarna [eiser] in oktober 2025 duurzaam uit de huurwoning is vertrokken. [eiser] woont sindsdien elders.

3. Het verzoek

[eiseres] en [eiser] verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat [eiser] de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de

[adres] , [postcode] te [woonplaats] met ingang van 1 december 2025,

althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum,

niet langer voortzet;

- voor recht te verklaren, althans te bepalen, dat de toewijzing van het huurrecht aan

verzoekster werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte plaatselijk

bekend als [adres] , [postcode] [woonplaats] , oftewel tegenover de

Woningstichting GoedeStede en diens eventuele rechtsopvolgers.

[eiseres] en [eiser] vorderen overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat [eiser] de huur met ingang van 1 december 2025 niet langer zal voortzetten. [eiseres] en [eiser] hebben gezamenlijk een verzoekschrift op grond van artikel 96 Rv ingediend om daarover een beslissing van de kantonrechter te verkrijgen.

4. De beoordeling

De kantonrechter overweegt allereerst dat er op het verzoek van partijen wordt beslist door middel van een vonnis. Artikel 96 Rv schrijft niet voor op welke wijze er wordt beslist en nu een verzoek op grond van artikel 7:267 lid 7 BW normaal gesproken wordt ingeleid met een dagvaarding - waarop vervolgens beslist wordt met een vonnis - zal de kantonrechter daar bij aanhaken.

Uit artikel 7:267 lid 7 BW volgt dat de huurder en/of wettelijke medehuurders kunnen vorderen dat de rechter bepaalt dat die huurder of wettelijke medehuurders de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Volgens rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW van overeenkomstige toepassing in het geval gezamenlijke huurders uit elkaar gaan. Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BW en artikel 7:267 BW bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst.

De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover de verhuurder. Als dat artikel wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] en [eiser] gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW kunnen vorderen dat de kantonrechter bepaalt dat [eiser] met ingang van 1 december 2025 niet langer de huur zal voortzetten. Een dergelijke uitspraak van de kantonrechter heeft, zoals overwogen in r.o. 4.3. ook werking tegenover de verhuurder. Nu uit de overgelegde verklaring van afstand huurrecht bovendien blijkt dat [eiser] instemt met de het gestelde en gevorderde, zullen de vorderingen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

bepaalt dat [eiser] de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de

[adres] , [postcode] te [woonplaats] , met ingang van 1 december 2025 niet langer voortzet;

verklaart voor recht dat toewijzing van het huurrecht aan [eiseres] werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte, plaatselijk bekend als [adres] , [postcode] te [woonplaats] , oftewel tegenover Woningstichting GoedeStede en haar eventuele rechtsopvolgers;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

153

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?