RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/592592 / HA ZA 25-234
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. I.P. de Groot,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.W. Lassche.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 14- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] legde productie 15 over
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eiseres] installeert en repareert elektrische scheepsinstallaties. [eiseres] verrichte in opdracht werkzaamheden aan het motorschip [naam motorschip] . [eiseres] heeft voor een aantal werkzaamheden in de periode van juli 2022 tot juni 2023 niet (volledig) betaald gekregen en vordert alsnog betaling. [eiseres] mocht ervan uitgaan dat [gedaagde] de opdrachten gaf voor zichzelf en niet als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. [gedaagde] is hierdoor zelf gebonden aan de overeenkomsten en moet deze nakomen. [eiseres] krijgt dus gelijk en [gedaagde] moet de vorderingen grotendeels betalen.
3. De achtergrond van het geschil
In dit geschil gaat het over werkzaamheden die zijn verricht aan het motorschip [naam motorschip] (hierna ook: het schip). Voor een volledig begrip van de situatie wordt hier de eigendomssituatie van het schip geschetst in relatie tot [gedaagde] . [gedaagde] was en is statutair bestuurder van de vennootschappen die eigenaar waren of zijn van het schip; eerst was dat [bedrijf 1] B.V. en daarna [bedrijf 2] B.V. Van die vennootschappen houdt [gedaagde] , via [bedrijf 3] B.V, alle aandelen.
Op 15 mei 2023 is het motorschip [naam motorschip] , met bedrijfsauto en inventaris, door [bedrijf 1] B.V. verkocht aan [bedrijf 2] B.V. Dat is dus een zustervennootschap van [bedrijf 1] B.V. Met de overdracht op 29 juni 2023 ging de eigendom van het schip over naar [bedrijf 2] B.V. De exploitatie bleef bij [bedrijf 1] B.V.
[bedrijf 1] B.V. is op 30 september 2023 ontbonden via turboliquidatie. Die rechtspersoon is daarmee opgehouden te bestaan. Het motorschip [naam motorschip] vaart nog steeds en wordt nu geëxploiteerd door een andere zustervennootschap van [bedrijf 2] B.V., zo heeft [gedaagde] tijdens de zitting verteld.
4. De beoordeling
[gedaagde] is gebonden aan de overeenkomsten met [eiseres]
Aan haar vordering tot betaling van € 26.067,51, vermeerderd met rente en kosten, legt [eiseres] primair ten grondslag dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde] in privé. De rechtbank is het daarmee eens, ondanks het verweer van [gedaagde] dat hij contracteerde namens [bedrijf 1] B.V. Hierna volgt de onderbouwing van die conclusie. De vordering tegen [gedaagde] in privé wordt toegewezen.
De wilsvertrouwensleer
[eiseres] stelt dat zij mondeling drie overeenkomsten met [gedaagde] heeft gesloten:
op 21 juli 2022 voor het renoveren van de machinekamer. De factuur is van 19 januari 2023. Daarvan is onbetaald gebleven € 10.000,00;
in april en mei 2023 voor het repareren van een storing aan de boegschroef en een lekkage aan het stuurrooster. De factuur is van 17 mei 2023 en bedraagt € 15.613,76;
in juni 2023 voor nieuwe accu’s. De factuur is van 19 juni 2023 en bedraagt € 453,75.
Voor een rechtshandeling, zoals het sluiten van een wederkerige overeenkomst, is een op rechtsgevolg gerichte wil nodig van beide partijen. [gedaagde] voert aan dat die wil bij hem ontbrak: hij wilde niet voor zichzelf de overeenkomsten met [eiseres] sluiten, maar namens [bedrijf 1] B.V. Maar in de gegeven omstandigheden mag [gedaagde] zich niet beroepen op het ontbreken van die wil, omdat er is voldaan aan de eisen voor een uitzondering op die hoofdregel. [eiseres] mocht de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] namelijk redelijkerwijze zo opvatten dat zij in gerechtvaardigd vertrouwen met [gedaagde] de overeenkomsten sloot.
[eiseres] kon en mocht erop vertrouwen dat [gedaagde] voor zichzelf handelde
Uitgangspunt is dat als iemand een overeenkomst sluit, diegene de overeenkomst sluit voor zichzelf. [gedaagde] stelt dat hij niet de bedoeling had zichzelf te binden. Vanwege dit uitgangspunt ligt het dan op de weg van [gedaagde] om aan de andere partij, [eiseres] , duidelijk te maken dat hij optreedt als vertegenwoordiger van iemand anders, in dit geval de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. Bij het beoordelen met welke partij de overeenkomst tot stand is gekomen, met [gedaagde] of [bedrijf 1] B.V., moet allereerst worden gekeken naar de feiten en omstandigheden op het moment van het sluiten van de drie overeenkomsten waar het in deze procedure over gaat. Maar [eiseres] verrichte al eerder werkzaamheden aan het motorschip [naam motorschip] . Ook de feiten en omstandigheden uit die periode hebben invloed op de beoordeling, omdat [gedaagde] stelt dat hij ook bij die overeenkomsten namens [bedrijf 1] B.V. handelde.
Uit de volgende feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij niet voor zichzelf optrad, maar namens [bedrijf 1] B.V. [eiseres] kon en mocht aannemen dat [gedaagde] voor zichzelf sprak en handelde.
[eiseres] en [gedaagde] hebben sinds het begin van hun samenwerking uitsluitend mondeling afspraken gemaakt. Zij hebben weliswaar per e-mail contact gehad, maar er is nooit een volledig uitgeschreven overeenkomst op papier of digitaal uitgewisseld.
Bij het maken van de afspraken voor deze of eerdere werkzaamheden is door [gedaagde] nooit de naam [bedrijf 1] B.V. aan [eiseres] genoemd, niet mondeling en niet in e-mails. [gedaagde] stelt ook niet dat hij die naam aan [eiseres] genoemd heeft.
[gedaagde] gebruikte als e-mailadres: [email-adres] @gmail.com. Het adres heeft geen specifieke domeinnaam van [bedrijf 1] B.V. en omvat alleen de naam van het schip. Hoewel de naam van het schip overeenkomt met een geregistreerde handelsnaam van [bedrijf 1] B.V., is dat niet zichtbaar uit het e-mailadres af te leiden. [eiseres] heeft op de zitting onweersproken gesteld dat [gedaagde] nu nog steeds dit e-mailadres gebruikt. Volgens [gedaagde] gebeurt dit nu vanuit een andere rechtspersoon. (Ook) dat duidt er niet op dat het e-mailadres gekoppeld is aan de inmiddels ontbonden vennootschap [bedrijf 1] B.V.
[eiseres] heeft haar facturen op naam van “ [gedaagde] [naam motorschip] ” gezet en ze zijn vervolgens (deels) betaald. [gedaagde] voert wel aan dat hij tegen die tenaamstelling heeft geprotesteerd, maar onderbouwt deze stelling niet. Dat had hij wel moeten doen, gelet op de betwisting van [eiseres] . Een mogelijk protest doet ook niet af aan het feit dat een deel van deze facturen, gericht aan [gedaagde] , betaald is.
Bij de ontvangen betalingen voor werkzaamheden aan het schip zag [eiseres] op het rekeningafschrift staan: Motorschip [naam motorschip] , zo is op de zitting verklaard. Er stond in ieder geval niet: [bedrijf 1] B.V. [gedaagde] betwist dat niet, maar voegt daaraan toe dat dit een keuze is van de bank waarop hij geen invloed heeft. Hoe dan ook, dat brengt geen verandering in het feit dat ook uit ontvangen betalingen niet bleek of kon worden afgeleid dat [eiseres] van doen had met de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. voor, tijdens of na het sluiten van de drie overeenkomsten.
Volgens [gedaagde] moet [eiseres] hebben geweten dat [bedrijf 1] B.V. haar contractspartij was, omdat [eiseres] het nieuwe elektrotechnisch schema had opgesteld en de keuringsaanvraag daarvan namens [bedrijf 1] B.V. bij [bedrijf 4] had ingediend. [eiseres] betwist dat de naam van [bedrijf 1] B.V. ergens vermeld stond en zegt dat [gedaagde] zelf de keuringsaanvraag deed. Omdat [gedaagde] zijn stelling ondanks de betwisting niet met stukken heeft onderbouwd, wordt eraan voorbij gegaan. [gedaagde] was bekend met het standpunt van [eiseres] en had dergelijke stukken in de procedure moeten brengen.
[gedaagde] voert ook aan dat de verzekeraar die in het voorjaar van 2023 onderzoek deed naar de schade aan de boegschroef heeft gemeld dat hij namens [bedrijf 1] B.V. kwam, waaruit [eiseres] had moeten concluderen dat zij met [bedrijf 1] B.V. de overeenkomst was aangegaan. Ook dit heeft [gedaagde] niet met stukken onderbouwd, terwijl [eiseres] het betwist, zodat dit niet komt vast te staan.
Zelfs als wel vastgesteld zou kunnen worden dat bij de keuringsaanvraag voor [bedrijf 4] en/of bij een contact met de verzekeraar de naam [bedrijf 1] B.V. was gevallen, dan volgt daaruit nog niet voldoende duidelijk dat met [bedrijf 1] B.V. is gecontracteerd. Deze omstandigheden dateren namelijk van ná de uitvoering van de werkzaamheden. [gedaagde] stelt ook niet dat bijvoorbeeld sprake was van contractovername door [bedrijf 1] B.V. Bovendien deed een derde (de verzekeraar) de mededeling en niet [bedrijf 1] B.V. zelf.
[eiseres] heeft sinds 2020 of 2021 al vaker werkzaamheden uitgevoerd aan motorschip [naam motorschip] en heeft daarvoor betaald gekregen, in totaal ruim € 100.000,00. Ook voor die werkzaamheden werden de afspraken alleen mondeling gemaakt.
[eiseres] heeft alleen contact gehad met [gedaagde] zelf, nooit met iemand anders. Voor het bestaan van een vennootschap is uiteraard niet verplicht dat er meerdere personen werkzaam zijn. Het steeds van doen hebben met eenzelfde persoon kan wel een indruk laten ontstaan - of in ieder geval niet wegnemen - dat [eiseres] met een privépersoon of een eenmanszaak te maken had.
Niet is dus komen vast te staan dat bij deze drie overeenkomsten of daarvoor de naam [bedrijf 1] B.V. naar voren is gekomen. [eiseres] mocht de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] daarom zo opvatten dat zij met [gedaagde] zelf de overeenkomsten sloot.
Een kvk-nummer in de ondertekening van de e-mails onvoldoende
Volgens [gedaagde] had het voor [eiseres] toch duidelijk moeten zijn dat hij namens de vennootschap [bedrijf 1] B.V. handelde, omdat onder alle e-mails die hij aan [eiseres] stuurde stond: “ [gedaagde] , M: (…) namens Motorschip [naam motorschip] (…) KvK: (…) C: Postbus (…) [plaats] ”. Dat is niet voldoende, want:
De stelling is feitelijk onjuist. In belangrijke e-mails, zoals in de opdrachtbevestiging van de eerste opdracht op 25 juli 2022 staat alleen: “ [gedaagde] , M: (…) namens Motorschip [naam motorschip] ”. Verdere toevoegingen, zoals het KvK-nummer ontbreken. Op de zitting heeft [gedaagde] erkend dat (ook) onder zijn reply-e-mails niet die volledige tekst werd weergegeven.
[eiseres] wist al dat “Motorschip [naam motorschip] ” de naam is van het schip waarop de werkzaamheden werden uitgevoerd. Dat diezelfde naam ook een handelsnaam is van [bedrijf 1] B.V. heeft [gedaagde] echter niet duidelijk gemaakt. De aanduiding “motorschip [naam motorschip] ” in correspondentie kan dus verwijzen naar het schip, maar ook naar [bedrijf 1] B.V. Dat het in de correspondentie niet het schip zelf bedoeld wordt, maar de handelsnaam van [bedrijf 1] B.V., heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt.
Het argument van [gedaagde] dat uit het woord “namens” in de ondertekening van de e-mails blijkt dat sprake is van verschillende entiteiten, en dus van verschillende rechtspersonen, gaat niet op. Een schip kan nooit zelf rechtshandelingen verrichten; in alle gevallen zal een persoon of rechtspersoon die het eigendom van het schip heeft over het schip beslissen. Daarom blijkt uit het gebruik van “namens” niet zonder meer dat [gedaagde] voor een rechtspersoon optrad; er zijn immers meerdere mogelijkheden.
Het ontbreken van een tussenvoegsel “h.o.d.n.” is evenmin iets waardoor [eiseres] had kunnen en moeten weten dat “motorschip [naam motorschip] ” verwees naar een rechtspersoon. Er is immers geen verplichting om handelend als eenmanszaak te vermelden dat je ‘handelt onder de naam’. Bovendien kan een rechtspersoon ook handelen onder een handelsnaam. Hier is dat echter op geen enkele wijze genoemd, omdat er uitsluitend ‘namens’ de naam van het betreffende schip staat.
Het argument dat uit het vermelde KvK-nummer voldoende duidelijk was dat met [bedrijf 1] B.V. zaken werd gedaan, gaat ook niet op. Het KvK-nummer is weliswaar het nummer van [bedrijf 1] B.V., maar dat blijkt pas als dat nummer wordt nagezocht - iets wat [eiseres] op de zitting heeft verklaard niet te hebben gedaan. Uit het noemen van een KvK-nummer blijkt op zichzelf niet al dat sprake is van een rechtspersoon, omdat ook een eenmanszaak een KvK-nummer kan hebben. Gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vindt de rechtbank ook niet dat [eiseres] het KvK-nummer had behoren te controleren om vast te stellen of zij te maken had met iemand anders dan [gedaagde] .
Het was de keuze van [gedaagde] zich op deze manier te presenteren
[gedaagde] heeft er bewust voor gekozen om niet de naam [bedrijf 1] B.V. in de e-mails te vermelden, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard. [gedaagde] stelt hierover advies te hebben ingewonnen en te horen hebben gekregen dat de manier waarop hij handelde voldoende duidelijk maakt dat hij optrad namens [bedrijf 1] B.V. Maar die bewuste keuze van [gedaagde] komt niet overeen met de wettelijke verplichting in artikel 2:186 Burgerlijk Wetboek dat uit alle stukken, zoals de e-mails aan [eiseres] , de volledige naam van de vennootschap moet blijken. De naam [bedrijf 1] B.V. wordt daarin niet genoemd. Weliswaar is “motorschip [naam motorschip] ” een handelsnaam van [bedrijf 1] B.V., maar in dit geval biedt die vermelding geen duidelijkheid. Met diezelfde woorden kan immers net zo goed het schip worden bedoeld, terwijl niet is komen vast te staan dat [eiseres] van het bestaan van [bedrijf 1] B.V. op enige wijze op de hoogte was. Nergens staan bijvoorbeeld de letters B.V. of iets anders dat duidelijk naar een rechtspersoon verwijst. [eiseres] mocht daarom de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] zo opvatten dat zij met [gedaagde] de overeenkomsten sloot. [gedaagde] is daarom gebonden aan de overeenkomsten met [eiseres] .
Voor de eerste overeenkomst moet [gedaagde] € 10.000,00 betalen
[gedaagde] betwist de hoogte van de factuur van 19 januari 2023 niet, zodat € 10.000,00 zal worden toegewezen.
Voor de tweede overeenkomst moet [gedaagde] € 9.052,53 betalen
Voor de tweede overeenkomst heeft [eiseres] een factuur van € 15.613,76 gestuurd. [gedaagde] voert daartegen met succes aan dat hij ervan uit kon en mocht gaan dat een andere prijs is afgesproken. [gedaagde] wijst hiervoor op de factuur van 9 mei 2023 van € 7.593,27 (inclusief btw) plus twee stelposten die is opgemaakt voorafgaand aan de werkzaamheden. Voor de invulling van de stelposten verwijst [gedaagde] naar de factuur van 17 mei 2023 waaruit een bedrag van € 1.206,00 (exclusief btw) blijkt, zodat het totaal € 9.052,53 (inclusief btw) is.
Volgens [eiseres] was de factuur van 9 mei 2023 een pro forma factuur, die was opgemaakt voor de verzekering. Dat is volgens [eiseres] te zien aan het factuurnummer FC23-0210. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit alleen dat nummer is voor een ander niet kenbaar dat het gaat om een pro forma factuur.
Bovendien heeft [gedaagde] in een e-mail van dezelfde dag (9 mei 2023) op verzoek van [eiseres] op de ontvangen factuur gereageerd. Hij bevestigt de ontvangst van de nota en schrijft: “Dit betreft jullie totale werkzaamheden aan de boegschroef. Deze nota is als zodanig in onze administratie opgenomen. Hierbij zei opgemerkt dat de laskosten en het terugplaatsen van het stuurrooster als stelposten zijn opgevoerd. Deze bedragen zullen nog bijgesteld worden aan de hand van de werkelijke kosten cq gemaakte uren.” [gedaagde] bevestigt verder dat hij de openstaande factuur van € 10.000,00 en deze ontvangen factuur, totaal € 17.593,27 in vier termijnen zal betalen in de periode tussen eind juni en eind september 2023. Als onweersproken staat vast dat [eiseres] niet heeft gereageerd op deze e-mail. Als het niet lezen van of reageren op een e-mail te maken heeft met dyslexie, zoals [eiseres] stelt, dan is dat iets waar zij een oplossing voor moet vinden. [eiseres] heeft dus niet kenbaar gemaakt dat de nota slechts pro forma was opgemaakt en dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend voor de uiteindelijke kosten. In tegendeel, [eiseres] is daarna de werkzaamheden gaan uitvoeren. Onder die omstandigheden mocht [gedaagde] erop vertrouwen dat een prijsafspraak was gemaakt van € 7.593,27 plus twee stelposten = € 9.052,53 (inclusief btw). Dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor de derde overeenkomst moet [gedaagde] € 453,75 betalen
In de derde overeenkomst gaat het om € 453,75 voor twee accu’s. Op de zitting vult [eiseres] aan dat dit de accu’s zijn voor de radarmast. De factuur is van 19 juni 2023. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] deze factuur moet betalen.
[eiseres] stelt dat zij de accu’s voor de radarmast moest vervangen, omdat deze kapot waren gegaan door een pomp die erop was aangesloten door een derde partij. [gedaagde] betwist dat het gaat om de accu’s voor de radarmast en stelt dat gaat om de accu voor de boegschroef. Die zou niet conform zijn en daarover heeft hij geklaagd in zijn e-mail van 2 juli 2023. [eiseres] stelt onbetwist dat een accu voor een boegschroef per stuk duurder is dan twee accu’s voor de radarmast zoals hier wordt gefactureerd. Bovendien blijkt uit de e-mail van 2 juli 2023 dat die accu op dat moment nog niet gerepareerd is. Uit het verschil in prijs en uit die tijdlijn volgt dat die klacht niet over dezelfde accu gaat die dan al vervangen en gefactureerd is. De betwisting van [gedaagde] ziet op een andere accu en dus niet op deze factuur, zo concludeert de rechtbank.
In totaal moet [gedaagde] als hoofdsom aan [eiseres] betalen: € 10.000,00 + € 9.052,53 + € 453,75 = € 19.506,28.
Beoordeling bestuurdersaansprakelijkheid niet nodig
De primaire grondslag leidt tot toewijzing van het grootste deel van de vordering. Als subsidiaire grondslag voert [eiseres] aan dat sprake is onrechtmatig handelen door [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. [eiseres] stelt dat de schade door dat handelen gelijk gesteld kan worden aan de som van haar onbetaalde facturen. Gelet op wat in 4.16 is beslist over de facturen, is er geen reden om deze subsidiaire grondslag te beoordelen. De beoordeling zou immers niet leiden tot toewijzing van een hoger bedrag.
[gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen
De gevorderde wettelijke handelsrente van artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek zal worden toegewezen. De vordering ziet op nakoming van een handelsovereenkomst en partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Tegen de gevorderde rente is geen verweer gevoerd.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
De vordering van [eiseres] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.035,86 moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Een bedrag van € 970,06 worden toegewezen overeenkomstig het Besluit. Het meerdere wordt afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.865,21
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiseres] vordert. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 19.506,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over:
€ 10.000,00 met ingang van 3 februari 2023,
€ 9.052,53 met ingang van 1 juni 2023,
€ 453,75 met ingang van 4 juli 2023,
telkens tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 970,06 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.865,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00, en als hij niet binnen die veertien dagen heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van de vijftiende dag na de genoemde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van betekening als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft betaald en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die kosten, met ingang van de dag na de dag van betekening tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Snoo en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
4197