RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11739296 \ LC EXPL 25-1254
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door R.A. Karseboom.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 mei 2025 met producties 1 tot en met 4;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;- de conclusie van repliek met producties 5 tot en met 7;- de conclusie van dupliek met bijlagen.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
Deze zaak gaat over de kosten die [eiser] heeft betaald voor de aankoop van Pokémonkaarten bij [gedaagde] . [eiser] zegt de Pokémonkaarten niet te hebben ontvangen. Omdat [gedaagde] geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om de Pokémonkaarten alsnog te leveren, heeft [eiser] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [eiser] eist dat [gedaagde] de koopsom van € 413,95, met rente en kosten, aan hem terugbetaalt. [gedaagde] stelt primair dat niet [eiser] zelf, maar zijn BV contractspartij is en dat [eiser] daarom niet-ontvankelijk is in zijn eis. Subsidiair stelt [gedaagde] dat de Pokémonkaarten wel zijn afgeleverd bij [eiser] , zodat hij [eiser] niets meer is verschuldigd. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de contractspartij van [gedaagde] is en dat [eiser] de koopovereenkomst mocht ontbinden. [gedaagde] moet de koopsom, met rente en kosten, aan [eiser] betalen.
3. De beoordeling
[eiser] is de contractspartij van [gedaagde]
[eiser] stelt dat hij in privé de Pokémonkaarten heeft gekocht en niet [bedrijf] B.V. (hierna: de BV).
[gedaagde] heeft dit betwist. Volgens [gedaagde] is de bestelling geplaatst onder de naam en het handelsaccount van de BV. Dit volgt uit de factuur en het bestelformulier, aldus [gedaagde] (zie producties 5 en 6 van [gedaagde] ).
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de contractspartij van [gedaagde] is en zij overweegt daartoe als volgt.
[eiser] heeft onderbouwd gesteld dat hij in persoon de bestelling heeft geplaatst. Dat hij de contractspartij is volgt uit de mailwisseling van [gedaagde] met MyParcel waaruit af te leiden is dat [eiser] de bestelling heeft geplaatst, immers in de onderwerpregel staat ‘[trackingnummer] naar [eiser] ’. Ook in de screenshot uit het klantaccount wordt bij ‘klant’ ‘[eiser]’ vermeld. De betaling voor de Pokémonkaarten zijn bovendien betaald vanaf de privé rekening van [eiser] en zijn partner (zie productie 2 van [eiser] ). Dat de bestelling niet voor de BV was volgt ook uit het feit dat de activiteiten van de BV ‘Het verrichten van werkzaamheden op het gebied van metaalbewerking zoals las- en constructiewerkzaamheden, alsmede het produceren van op maat gemaakte flow-boxen, sanitaire- of magneetfilters.’ zijn. De Pokémonkaarten dragen niet bij aan deze activiteiten. Uit nader onderzoek van [eiser] blijkt ook hoe het kan dat de BV bij de bestelling is genoemd. Uit het bestelproces van [gedaagde] blijkt dat de enige plek om een bedrijfsnaam op te kunnen geven onder ‘Bezorging’ is. Het gaat dus enkel om een bezorgadres. Dat het adres van de BV is ingevuld betekent niet dat de BV ineens contractspartij is geworden. Verder staat in de ‘invoice’ weliswaar de BV vermeld, maar zijn niet het KvK nummer en het BTW-nummer van de BV vermeld. [gedaagde] heeft dit alles bij conclusie van dupliek niet weersproken. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van wat [eiser] naar voren heeft gebracht. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] de contractspartij van [gedaagde] is. [eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen. De vorderingen van [eiser] kunnen daarom behandeld worden.
[gedaagde] moet het bedrag van € 413,95 aan [eiser] betalen
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting om de Pokémonkaarten aan [eiser] te leveren. [eiser] mocht daarom de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 413,95 aan [eiser] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader voor ontbinding
Op grond van artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij in beginsel de bevoegdheid om de overeenkomst helemaal of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders wanneer de tekortkoming, vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de tekortschietende partij in verzuim is (artikel 6:265 lid 2 BW).
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting tot levering van de Pokémonkaarten
Partijen zijn een koopovereenkomst overeengekomen, waarbij afgesproken is dat [gedaagde] de bestelde Pokémonkaarten aan [eiser] moest leveren en [eiser] de koopprijs voor de Pokémonkaarten aan [gedaagde] moest betalen. [eiser] heeft de koopprijs van € 413,95 aan [gedaagde] betaald. [eiser] stelt dat hij de Pokémonkaarten nooit van [gedaagde] heeft ontvangen. [gedaagde] heeft dit betwist. Volgens [gedaagde] heeft Post.nl de bestelling bij [eiser] afgeleverd. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet en wel om het volgende.
Volgens de hoofdregel van bewijsrecht draagt de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast (artikel 150 van Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Omdat [eiser] de ontvangst van de bestelde Pokémonkaarten heeft betwist, ligt het op de weg van [gedaagde] om aan te tonen dat de bestelde Pokémonkaarten [eiser] wél hebben bereikt en dus door [eiser] zijn ontvangen.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat de bestelling met de Pokémonkaarten door [eiser] is ontvangen. Weliswaar heeft [gedaagde] als productie 1 een uitdraai van Post.nl in het geding gebracht, maar daaruit volgt niet op welk adres het pakket is afgeleverd en hoe het pakket is afgeleverd (in de brievenbus of afgegeven aan iemand). Dat het pakket door [eiser] is ontvangen volgt daar dus niet uit. Ook de weergave van de verklaring van de postbezorger (die is opgenomen in een mail vanuit Myparcel.nl) is onvoldoende. Het enige wat de postbezorger verklaart is dat de bestelling afgeleverd is, maar er staat niet bij op welk adres en hoe het is afgeleverd. Ook de stukken met MyParcel kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Onduidelijk is welke rol MyParcel in dit geheel speelt, omdat de toelichting daarop ontbreekt.
De kantonrechter stelt op basis van het voorgaande vast dat de bestelling met de Pokémonkaarten niet bij [eiser] is afgeleverd. Dit betekent dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting tot levering van de Pokémonkaarten.
[gedaagde] is in verzuim
[eiser] heeft in de e-mail van 28 november 2023 [gedaagde] de kans gegeven om de Pokémonkaarten opnieuw aan hem te leveren (zie productie 3 van [eiser] ). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat [gedaagde] in verzuim is.
[eiser] mocht de koopovereenkomst ontbinden
[eiser] mocht op 28 december 2023 dan ook overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst.
[gedaagde] moet de koopprijs aan [eiser] terugbetalen
De ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van hun verplichtingen over en weer uit die overeenkomst en voor zover verplichtingen al zijn nagekomen, moeten deze ongedaan gemaakt worden (artikel 6:271 BW).
Dit betekent dat [gedaagde] de door haar ontvangen koopprijs van € 413,95 aan [eiser] moet terugbetalen. De vordering tot betaling van het bedrag van € 413,95 wordt toegewezen.
Het coulancevoorstel zal niet in de plaats treden van de toegewezen hoofdsom
Dat het coulancevoorstel van [gedaagde] van € 350,00 aan vervangende producten in de plaats moet treden van de hoofdsom valt niet onder de ongedaanmakingsverplichtingen en vindt ook geen grondslag in de wet. Dat verzoek van [gedaagde] wordt dan ook afgewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiser] heeft onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De gevorderde kosten van € 75,13 zijn niet betwist en komen overeen met het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten in rekening kan worden gebracht. De buitengerechtelijke incassokosten van € 75,13 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
Tegen de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente van € 38,10 (berekend tot 14 mei 2025) is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen evenals de nadien verschenen rente zoals hierna in ‘de beslissing’ is vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten met wettelijke rente betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
226,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
711,54
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 527,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 413,95 vanaf 14 mei 2025 tot de voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 711,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
HHt/37278