ECLI:NL:RBMNE:2025:7216

ECLI:NL:RBMNE:2025:7216, Rechtbank Midden-Nederland, 31-12-2025, 11792992 \ MC EXPL 25-4015

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer 11792992 \ MC EXPL 25-4015
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Opslagvergoeding

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11792992 \ MC EXPL 25-4015

Vonnis van 31 december 2025

in de zaak van

[opposant] ,

te [plaats] ,

opposant,

hierna te noemen: [opposant] ,

gemachtigde: Vismans gerechtsdeurwaarders,

tegen

[geopposeerde] , TEVENS H.O.D.N. [bedrijf] MET ALS HANDELSNAAM [handelsnaam],

te [plaats] ,

geopposeerde,

hierna te noemen: [geopposeerde] ,

gemachtigde: De Collector Incasso.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de oorspronkelijke dagvaarding van [geopposeerde] van 15 augustus 2024- het verstekvonnis van 19 maart 2025

- de verzetdagvaarding van [opposant] van 8 juli 2025

- de brief van 31 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de pleitnotities van de gemachtigde van [geopposeerde] , ingekomen op 12 november 2025

- de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De zaak in het kort

[geopposeerde] heeft inventaris van [opposant] opgeslagen waarvoor een opslagvergoeding dient te worden betaald door [opposant] . Tussen partijen is een discussie ontstaan over de te betalen opslagvergoeding. Partijen hebben vervolgens een afkoopsom van € 2.250,-- afgesproken, die is betaald en de opgeslagen goederen zouden op 16 december 2022 worden opgehaald door [opposant] . De opgeslagen goederen zijn echter niet allemaal opgehaald. Volgens [geopposeerde] heeft hij de opslagruimte daarom niet opnieuw kunnen verhuren en is er een dagtarief gaan gelden voor [opposant] . [geopposeerde] wil dat [opposant] de openstaande opslagvergoeding volgens dat dagtarief betaalt alsmede de kosten die hij heeft moeten maken om voor een opvolgende klant een externe opslagruimte te huren. De vorderingen van [geopposeerde] , die bij verstekvonnis zijn toegewezen en waartegen [opposant] verzet heeft ingesteld, worden door de kantonrechter deels toegewezen. Het verstekvonnis wordt daarom vernietigd en er zal opnieuw recht worden gedaan.

3. De beoordeling

De kantonrechter is gebleken dat [opposant] tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis.

Vast staat dat [opposant] op grond van een in december 2021 gesloten overeenkomst bij [geopposeerde] goederen in opslag heeft staan in verband met een verhuizing waarvoor zij een vergoeding hebben afgesproken. Nadat er onenigheid is ontstaan over de te betalen opslagvergoeding, hebben [geopposeerde] en [opposant] in december 2022 de afspraak gemaakt dat [opposant] nog een bedrag van € 2.250,-- voor de opslag zou betalen en dat [opposant] alle in opslag staande goederen op 16 december 2022 zou ophalen. Het bedrag van € 2.250,-- is betaald door [opposant] , maar hij heeft niet alle opgeslagen goederen opgehaald.

De opslagvergoeding

Volgens [geopposeerde] is voor [opposant] vanaf 16 december 2022 een dagtarief voor de opslag ingegaan van € 12,40 exclusief btw per dag. Vanaf 16 december 2023 tot en met

11 april 2024 bedraagt de totale hoofdsom volgens [geopposeerde] € 7.570,09. Voorts is [opposant] , volgens [geopposeerde] , een vergoeding verschuldigd van € 300,08 per maand vanaf april/mei 2024.

[opposant] stelt zich op het standpunt dat vanwege pech bij de vervoerder en een te klein voertuig niet alles kon worden opgehaald, en dat [geopposeerde] hier disproportioneel op heeft gereageerd door zonder overleg of schriftelijke bevestiging het tarief te verhogen naar € 15,00 inclusief btw per dag voor slechts 30 m3. Hierover is volgens [opposant] geen overeenstemming bereikt. Toen er uiteindelijk op 23 januari 2023 een vervoerder beschikbaar was om de resterende goederen op te halen weigerde [geopposeerde] de goederen mee te geven, tenzij het volledig door hem verhoogde en door [opposant] betwiste bedrag eerst zou worden betaald. Volgens [opposant] moet de vordering worden afgewezen.

De kantonrechter heeft uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken opgemaakt dat partijen de tussen hen gesloten overeenkomst, die als een overeenkomst van bewaarneming dient te worden gekwalificeerd, hebben beëindigd per

16 december 2022. Per die datum zou [opposant] immers alle opgeslagen goederen (ongeveer 67 m3) ophalen en daaraan voorafgaand zou er een bedrag van € 2.250,-- worden betaald. Volgens [opposant] is er na betaling van het bedrag van € 2.250,-- in totaal 30 m3 in de opslag blijven staan, aldus zijn conclusie van antwoord. Daar zal in het vervolg van deze uitspraak van worden uitgegaan nu [geopposeerde] zijn stelling tijdens de zitting dat het om 35 m3 achtergebleven goederen gaat niet heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is er voor de 30 m3 die is blijven staan een nieuwe overeenkomst van bewaarneming tot stand gekomen. [opposant] geeft in zijn whatsapp-bericht van 17 december 2022 ook aan dat hij de “rest zo spoedig mogelijk komt ophalen en dat ze in de tussentijd wellicht een afspraak kunnen maken voor de 20 m3 (Ktr.: bedoeld zal zijn 30 m3) die er nog staat. Naar de kantonrechter aanneemt bedoelt [opposant] hiermee dat een nieuwe prijsafspraak wordt gemaakt voor de 30 m3 opgeslagen goederen. Partijen hebben echter over het te betalen tarief voor deze opgeslagen goederen geen afspraken gemaakt. [geopposeerde] heeft weliswaar per whatsapp aan [opposant] op 23 december 2022 medegedeeld dat vanaf 15 december 2022 een tarief van € 15,00 per dag geldt, maar uit het op diezelfde datum door [opposant] verstuurde whatsapp-bericht valt op te maken dat [opposant] hier niet mee instemt. Hij geeft immers aan dat “het eenzijdig nieuwe regels opstellen zonder overleg een vreemde gang van zaken is”. Ook nadien is er geen overeenstemming bereikt over het te betalen tarief voor de 30 m3. Nu de hoogte van het tarief (het bewaarloon in de zin van artikel 7:601 BW) door partijen niet is bepaald, is ingevolge artikel 7:601 lid 2 BW het op de gebruikelijke wijze berekende loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. Tijdens de zitting is gebleken dat [opposant] voor het opslaan van 67 m2 een bedrag van € 7,50 inclusief btw per kuub per maand heeft betaald. De kantonrechter gaat er van uit dat dit een gebruikelijk in de branche gehanteerd tarief is. Nu er vanaf 16 december 2022 sprake is geweest van een opslag van

30 m3 is over de periode van 16 december 2022 tot en met 11 april 2024 een bedrag van

€ 3.457,50 (461 dagen (uitgaande van het aantal dagen zoals in de facturen is genoemd) x

€ 7,50) verschuldigd. [geopposeerde] heeft tijdens de zitting ook aangegeven tegen een bedrag van € 7,50 per kuub per maand geen bezwaar te hebben. [geopposeerde] heeft tevens betaling van een opslagvergoeding voor de opvolgende maanden vanaf 12 april 2024 gevorderd en hij heeft in de oorspronkelijke dagvaarding aangegeven dat hij daarbij rekening houdt met een “coulante rekensom van 20 dagen per maand”. Hier zal dan ook van worden uitgegaan. Dit betekent dat [opposant] over de periode vanaf 12 april 2024 zolang de goederen bij [geopposeerde] in opslag staan een bedrag van € 150,00 per maand (20 dagen x € 7,50) verschuldigd is.

[opposant] heeft nog verweer gevoerd tegen de bij hem in rekening gebrachte bedragen van € 61,98 (exclusief BTW) voor “uitslagkosten” en € 231,40 (exclusief BTW) voor “loodshandelingen”. Deze bedragen zijn opgenomen in de factuur van 19 januari 2023. [geopposeerde] heeft vervolgens nagelaten te onderbouwen op grond waarvan deze bedragen van [opposant] worden gevorderd. Dit had wel op zijn weg gelegen, omdat [opposant] de verschuldigdheid van deze kosten heeft betwist. Deze bedragen zijn daarom niet

toewijsbaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is een bedrag van € 3.457,50 aan opslagvergoeding over de periode van 16 december 2022 tot en met 11 april 2024 toewijsbaar. Voorts is vanaf 12 april 2024 tot de dag waarop de goederen door [opposant] zijn opgehaald een bedrag van € 150,-- inclusief btw per maand toewijsbaar.

Weigering om opgeslagen goederen mee te geven - retentierecht

[opposant] heeft verder aangevoerd dat [geopposeerde] , op het moment dat [opposant] uiteindelijk een vervoerder beschikbaar had, heeft geweigerd om de goederen mee te geven tenzij het volledige (door [geopposeerde] verhoogde en betwiste) bedrag eerst zou worden betaald. Dit volgt ook uit het whatsapp-bericht van 19 januari 2023 waarin [geopposeerde] aangeeft dat er geen toegang tot de loods wordt gegeven als er niet is betaald. Niet gesteld of gebleken is dat [opposant] vervolgens ingevolge artikel 7:605 lid 1 BW de onverwijlde teruggave heeft gevorderd van de opgeslagen goederen of volgens lid 2 van voornoemd artikel aan de kantonrechter heeft verzocht een tijdstip te bepalen waarop de goederen teruggegeven moeten worden. In een whatsapp van 25 januari 2023 kondigt [opposant] weliswaar aan dat hij een advocaat in zal schakelen, maar daaraan heeft hij kennelijk geen gevolg gegeven. Van een vordering tot teruggave, bijvoorbeeld in een kort geding procedure, of een verzoek aan de kantonrechter om een tijdstip te bepalen tot teruggave van de goederen is immers geen sprake geweest. Dat de opgeslagen goederen zijn blijven staan en als gevolg daarvan de kosten voor [opposant] zijn opgelopen, komt dan ook voor rekening van [opposant] .

Naar de kantonrechter begrijpt, heeft [geopposeerde] met de weigering om de goederen terug te geven kennelijk een beroep gedaan op een retentierecht. Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (artikel 3:290 BW). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [geopposeerde] op gerechtvaardigde gronden een beroep hierop kunnen doen. [opposant] heeft immers de facturen die hij toegestuurd heeft gekregen vanaf 16 december 2022, voordat hij de spullen zou ophalen, onbetaald gelaten. Weliswaar heeft [opposant] zich, zoals hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat over het in rekening gebrachte tarief geen overeenstemming is bereikt, maar hij heeft niet betwist dat hij voor de opslag een vergoeding verschuldigd is. Hij heeft eerder ook aangegeven dat over de 20 kuub een afspraak gemaakt kan worden. [opposant] heeft evenwel helemaal niets op de facturen betaald, ook niet een deel daarvan, bijvoorbeeld een deel van het volgens hem overeengekomen tarief van vóór 16 december 2022, te weten € 7,50 per kuub per maand. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat het retentierecht ten onrechte is uitgeoefend. Dat de uitoefening van het retentierecht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en/of dat dit misbruik van bevoegdheid oplevert, is evenmin gebleken. Dit brengt met zich mee dat zolang [opposant] de in het dictum toe te wijzen bedragen aan opslagvergoeding niet aan [geopposeerde] voldoet, [geopposeerde] het retentierecht kan blijven uitoefenen.

Kosten externe opslag

[geopposeerde] heeft een bedrag van € 2.100,56 aan dubbele kosten gevorderd over de periode van januari 2024 tot en met juli 2024. Volgens [geopposeerde] had hij de ruimte van [opposant] verhuurd aan een andere klant en heeft hij, omdat [opposant] de ruimte niet heeft vrijgemaakt, moeten uitwijken naar een van een derde gehuurde externe opslagruimte en daardoor schade geleden. [opposant] betwist deze kosten verschuldigd te zijn, omdat [geopposeerde] niet eerder tegen hem heeft gezegd dat hij kosten voor andere klanten moest maken omdat [opposant] zijn spullen niet uit de opslag had gehaald, en [opposant] dat dus nooit heeft geweten. Dat [geopposeerde] van een derde ruimte heeft moeten huren, heeft hij niet onderbouwd met bijvoorbeeld facturen of een huurcontract waaruit dat blijkt. Bij gebreke van een onderbouwing wordt deze vordering afgewezen.

Wettelijke rente

[geopposeerde] heeft in het petitum van de dagvaarding de wettelijke handelsrente gevorderd, maar in de dagvaarding zelf enkel de wettelijke rente genoemd die is berekend tot en met 4 juli 2024 op € 655,99. De wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Daarom zal de wettelijke rente worden toegewezen. Nu de wettelijke rente door [geopposeerde] is berekend over de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom, maar hiervoor is overwogen dat een lagere hoofdsom toewijsbaar is, is het bedrag van € 655,99 niet toewijsbaar. Bovendien is de kantonrechter gebleken dat bij de berekening van de wettelijke rente is uitgegaan van de vervaldag van de facturen als zijnde de verzuimdatum. Echter, niet is gesteld of gebleken dat dit een fatale betalingstermijn betreft die tussen partijen is overeengekomen. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de dag van de oorspronkelijke dagvaarding op 15 augustus 2024, echter niet over het bedrag van € 7.570,09 zoals door [geopposeerde] is gevorderd maar over het openstaande bedrag van € 3.457,50 (dat is berekend tot en met 11 april 2024). Over de nadien vervallen termijnen is door [geopposeerde] geen rente gevorderd zodat daarop niet hoeft te worden beslist.

Buitengerechtelijke incassokosten

De door [geopposeerde] gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van

€ 753,50 is primair gegrond op de Algemene Voorwaarden. [opposant] heeft evenwel de toepasselijkheid daarvan betwist zodat het aan [geopposeerde] was om aan te tonen dat [opposant] met die Algemene Voorwaarden heeft ingestemd en die aan hem zijn overhandigd. Dit heeft hij niet gedaan. Subsidiair heeft [geopposeerde] de buitengerechtelijke kosten gevorderd op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [opposant] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet worden gecontroleerd of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [opposant] is aangemaand conform artikel 6:96 lid 6 BW met de aan hem verstuurde brief van 15 januari 2024. De gevorderde vergoeding zal daarom worden toegewezen met dien verstande dat nu een lager bedrag is toegewezen dan is gevorderd, een vergoeding zal worden toegewezen volgens de wettelijke tarieven. Daarbij zal worden uitgegaan van het op 15 januari 2024 openstaande bedrag van

€ 2.932,50. Daarom is een bedrag van € 506,08 toewijsbaar.

Gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen en beslist kan het verstekvonnis niet in stand blijven. Het verstekvonnis zal om die reden worden vernietigd en er zal opnieuw recht worden gedaan.

[opposant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De kosten aan de zijde van [geopposeerde] worden begroot op:

kosten van de dagvaarding € 116,39

griffierecht € 248,00

gemachtigdensalaris € 406,50 (1,5 punt x € 271,00)

nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals

vermeld in de beslissing)

_________

Totaal € 905,89

4. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van

19 maart 2025 met zaaknummer 11291054 MC EXPL 24-5660;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] tegen bewijs van kwijting te betalen

a. € 3.457,50, aan opslagvergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

15 augustus 2024 tot de algehele voldoening;

€ 150,00 per maand aan opslagvergoeding vanaf 12 april 2024 tot de dag waarop de goederen door [opposant] zijn opgehaald;

€ 506,08 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [opposant] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geopposeerde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 905,89 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op

31 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?