RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/600983 / BE RK 25-45
Beschikking van 10 december 2025
in de zaak van:
1. [verzoeker sub1] ,
wonend in [woonplaats 1] ,2. [verzoeker sub2],
wonend in [woonplaats 1] ,3. [verzoeker sub3],
wonend in [woonplaats 2] ,4. [verzoeker sub4],
wonend in [woonplaats 3] ,
hierna samen te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht.
Verzoekers hebben het verzoek gedaan als belanghebbenden in de nalatenschap van [erflater], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935, overleden in [plaats] op [datum overlijden] 2019 (hierna: erflater). De laatste woonplaats van erflater was [woonplaats 1] .
1. De procedure
De griffie van deze rechtbank heeft op 9 oktober 2025 een verzoekschrift ontvangen waarin wordt gevraagd om opheffing van een testamentaire last.
De rechtbank acht zich op basis van de overgelegde stukken voldoende geïnformeerd. Er zijn geen andere op te roepen belanghebbenden dan verzoekers. De rechtbank zal daarom een beschikking geven zonder dat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
2. De feiten
Toen erflater overleed, was hij gehuwd met verzoeker sub 1 (hierna: de moeder). Uit dit huwelijk zijn verzoekers sub 2, 3 en 4 geboren (hierna: de kinderen). Verder heeft erflater geen kinderen achtergelaten.
Erflater heeft voor het laatst op 26 november 2009 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft de kinderen, ieder voor een gelijk gedeelte, tot erfgenamen benoemd. Aan de erfstelling heeft erflater een testamentaire last verbonden. De last luidt als volgt:
“Voor het geval ik voor mijn echtgenote kom te overlijden, vindt de benoeming van mijn erfgenamen plaats onder de last mijn nalatenschap onverdeeld te houden tot mijn echtgenote eveneens is overleden.”
De kinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
3. Het verzoek
Verzoekers verzoeken de rechtbank primair op grond van artikel 4:134 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek (BW) bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de testamentaire last op te heffen en subsidiair om de testamentaire last te wijzigen.
Aan het verzoek leggen verzoekers kort gezegd ten grondslag dat de feitelijke situatie sinds het overlijden van erflater is veranderd. De last houdt in dat de nalatenschap van erflater pas kan worden verdeeld nadat de moeder is overleden. Met deze last heeft erflater beoogd dat het tot zijn vermogen behorende landgoed bijeen zou blijven zodat de moeder daar zou kunnen blijven wonen. De moeder is in 2020 echter verhuisd en heeft naar eigen zeggen daarom geen belang bij het onverdeeld laten van de nalatenschap van de erflater.
4. De beoordeling
Artikel 4:134 lid 1 aanhef en onder a BW bepaalt dat de rechter op verzoek van degene op wie de last rust de last kan wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden die van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. Op grond van artikel 4:134 lid 2 BW dient de rechter daarbij zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht te nemen.
Omdat de last niet op de moeder rust, maar op de erfgenamen, kan zij het verzoek tot opheffing niet doen. De rechtbank zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Artikel 4:134 lid 1 aanhef en onder a BW geeft een voorziening met het oog op testamentaire lasten die door na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden hun zin verloren hebben, niet meer met de bedoeling van de erflater overeenstemmen of aanpassing behoeven aan hun maatschappelijke strekking of aan het algemeen belang. Een testamentaire last mag niet lichtvaardig worden gewijzigd of opgeheven worden.
Zoals hiervoor vermeld, heeft erflater met de last beoogd dat het tot zijn vermogende behorende landgoed bijeen zou blijven zodat de moeder daar zou kunnen blijven wonen. De moeder is echter verhuisd en heeft laten weten dat zij er daarom geen belang meer bij heeft dat de nalatenschap onverdeeld blijft. De last heeft daardoor zijn zin verloren. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de testamentaire last daarom toewijzen.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek;
heft de aan de kinderen bij testament opgelegde last (zie 2.2.) op;
verklaart de beslissing in 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.