RECHTBANK Midden-Nederland
Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/572433 / BE ZA 24-21
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. G.M. de Weerd,
tegen
1. [gedaagde sub1] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] alsmede als testamentair bewindvoerder van de heer [persoon1] en van de heer [persoon2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub1] ,2. [gedaagde sub2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub2] B.V,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie
hierna samen te noemen: gedaagden,
advocaat: mr. S.J. Kerbusch.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 26;- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 19;- de conclusie van antwoord in reconventie;- de akte overlegging producties 27 en 28 van [eiseres] ;
- de akte overlegging productie 20 van [gedaagde sub1] ;
- de akte overlegging producties 15, 21 en 27 van [eiseres] ;
- de akte overlegging productie 28 van [eiseres] ;
- de akte overlegging producties 21 t/m 25 van [gedaagde sub1] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025, waarbij partijen samen met hun advocaten aanwezig waren. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Partijen hebben om een vonnis gevraagd. Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.
2. De zaak in het kort
[eiseres] , [gedaagde sub1] en [persoon1] (hierna: [persoon1] ) zijn broers en zus. Vader is op [datum overlijden vader] 2000 overleden en moeder, mevrouw [erflaatster] , (hierna: erflaatster) is op [datum overlijden moeder] 2018 overleden. Erflaatster heeft voor het laatst bij testament van 7 juni 2013 en bij aanvullend testament van 6 februari 2015 over haar nalatenschap beschikt. Op basis van deze testamenten zijn [eiseres] , [gedaagde sub1] en [persoon1] haar erfgenamen. Daarnaast is [gedaagde sub1] benoemd tot executeur en tot testamentair bewindvoerder over al hetgeen [persoon1] en [persoon2] (hierna: [persoon2] ), kleinzoon van erflaatster, uit de nalatenschap verkrijgen. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster.
3. Het geschil
In conventie
[eiseres] vordert, samengevat, dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster gelast zoals genoemd onder randnummers 94 t/m 104 van de dagvaarding;
2. [gedaagde sub1] veroordeelt mee te werken aan de bij dit vonnis vast te stellen verdeling van de nalatenschap van erflaatster, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 50.000,--;
3. de wijze van verdeling gelast van de in het [object1] aanwezige inboedelzaken, conform het verdelingsvoorstel van [eiseres] ;
4. primair: [gedaagde sub1] veroordeelt om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de [object2] en al datgene te doen wat nodig is om tot verkoop en levering van deze boerderij te kunnen komen, waaronder ook medewerking aan het verkooptraject, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per persoon per dag of dagdeel dat zij nalaten aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 200.000,-- per persoon.
subsidiair: bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de benodigde toestemming c.q. handtekening van [gedaagde sub1] en [persoon1] voor de verkoop en levering van de [object2] ;
meer subsidiair: [eiseres] machtigt om zonder toestemming van [gedaagde sub1] en [persoon1] de [object2] te verkopen en te leveren en tot het verrichten van alle daarvoor noodzakelijke rechtshandelingen;
5. primair: [gedaagde sub1] als executeur veroordeelt de vorderingen op [gedaagde sub2] BV, [bedrijf 1] BV en op [bedrijf 2] B.V. in betaling te geven op de vorderingen uit hoofde van schenkingen op papier van [gedaagde sub1] en [persoon1] ;
subsidiair: voor recht verklaart dat de vorderingen op [gedaagde sub2] BV, [bedrijf 1] BV en op [bedrijf 2] B.V. in betaling dienen te worden gegeven op de vorderingen uit hoofde van schenkingen op papier van [gedaagde sub1] en [persoon1] ;
meer subsidiair: de vorderingen toedeelt aan [gedaagde sub1] en/of [persoon1] met verrekening van de waarde en de rente;
6. primair: [gedaagde sub1] als executeur veroordeelt de schulden van hem in privé op de nalatenschap ad € 159.000,-- en de rente ad € 19.746,63 en € 83.049,-- te verrekenen met de vorderingen uit hoofde van de schenkingen op papier van [gedaagde sub1] ;
subsidiair: voor recht verklaart dat de schulden van [gedaagde sub1] in privé op de nalatenschap ad € 159.000,-- en de rente ad € 10.746,63 en € 83.049,-- dienen te worden verrekend met de vorderingen uit hoofde van de schenkingen op papier van [gedaagde sub1] ;
meer subsidiair: Voor recht verklaart dat over de tot de nalatenschap behorende uitstaande geldleningen een rente verschuldigd is van 4,9% per jaar en dat deze rente niet is voldaan;
7. voor recht verklaart dat de kosten van [naam] voor maximaal € 50.000,-- als kosten van de executele worden gekwalificeerd en het restant niet ten laste van de nalatenschap, althans niet ten laste van het erfdeel van [eiseres] mag worden gebracht;
8. voor recht verklaart dat de door [gedaagde sub1] gemaakt kosten in deze procedure geen kosten van de executele zijn;
9. [gedaagde sub1] veroordeelt in de proceskosten, met bepaling dat hij het bedrag van de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan [eiseres] dient te voldoen, bij gebreke waarvan [gedaagde sub1] vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling en de nakosten dan wel de kosten van betekening van het vonnis wordt gerekend.
[gedaagde sub1] voert verweer met de conclusie dat de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel haar vorderingen afwijst en de verdeling van de vordering onder 1 in conventie conform randnummer 66 van de conclusie van antwoord en eis in reconventie gelast en [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
In reconventie
[gedaagde sub1] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 58.843,29 aan de nalatenschap van erflaatster, te vermeerderen met de wettelijke rente;
2. voor recht verklaart dat de advocaatkosten van [gedaagde sub1] volledig ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.
3. [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
[eiseres] voert verweer met de conclusie dat de rechtbank [gedaagde sub1] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen dan wel de vorderingen afwijst, met veroordeling van hem in de proceskosten.
4. De beoordeling
Vanwege de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.
[gedaagde sub2] B.V. als procespartij
[eiseres] heeft ook [gedaagde sub2] B.V. gedagvaard. [eiseres] voert ter onderbouwing aan dat de nalatenschap vorderingen heeft op [gedaagde sub2] B.V. en dat de B.V. daarom betrokken dient te worden in deze procedure. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Een verdelingsprocedure gaat immers tussen de erfgenamen. Een schuldenaar wordt niet betrokken in een dergelijke verdelingsprocedure. Bovendien heeft [eiseres] geen vorderingen ten aanzien van [gedaagde sub2] B.V. ingesteld. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaren jegens [gedaagde sub2] B.V.
Executele is nog niet geëindigd
[eiseres] vordert dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vaststelt. [gedaagde sub1] voert aan dat de verdeling nog niet mogelijk is, nu de executele niet is geëindigd.
Partijen zijn het er over eens dat de executele nog niet geëindigd is. De rechtbank is met [eiseres] van oordeel dat verdeling van de nalatenschap mogelijk is, ondanks het feit dat de executele nog niet is geëindigd. [gedaagde sub1] en [persoon1] zijn de enige schuldeisers die nog voldaan moeten worden. De omvang van de nalatenschap is positief en er zijn voldoende liquide middelen om de vorderingen van [gedaagde sub1] en [persoon1] te voldoen. Daarbij komt dat [gedaagde sub1] tevens een eigen voorstel heeft gedaan voor de wijze van verdeling van de nalatenschap. Daarmee heeft hij impliciet erkend dat verdeling mogelijk is. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen belemmering om tot verdeling over te gaan, ondanks de executele.
Verdeling van de nalatenschap
[eiseres] vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster op grond van artikel 3:178 lid 1 jo artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen hebben al enkele afspraken gemaakt over een aantal bestanddelen van de nalatenschap van erflaatster. De rechtbank stelt enkel de verdeling vast met betrekking tot de bestanddelen waar in deze procedure nog wel discussie over bestaat.
Partijen zijn het niet eens over een aantal vorderingen die erflaatster nog heeft op een drietal BV’s en op [gedaagde sub1] in privé. Ook verschillen partijen van standpunt met betrekking tot de inboedelgoederen van het [object1] de kosten van [naam] en de advocaatkosten die [gedaagde sub1] (al dan niet al executeur) gemaakt heeft. Hierna wordt per bestanddeel ingegaan op de verdeling van dat bestanddeel onder partijen.
Banksaldo
Het saldo van de ervenrekening, [rekeningnummer] , bedroeg op 29 september 2025 € 440.894,08. Tussen partijen bestaat geen discussie over de wijze van verdeling van het banksaldo. [eiseres] , [gedaagde sub1] en [persoon1] hebben elk recht op 1/3e deel van het saldo. Als peildatum dient de datum van verdeling te worden aangenomen.
Verkoopopbrengst [object2]
De boerderij zal verkocht worden. [eiseres] , [gedaagde sub1] en [persoon1] hebben ieder recht op 1/3e deel van de verkoopopbrengst. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de verkoopopbrengst van [object2] gelijkelijk tussen de drie erfgenamen moet worden verdeeld.
Factuur taxatie [object2]
[eiseres] heeft verzocht de door haar betaalde taxatiekosten ad € 1.286,-- ten laste van de nalatenschap te brengen. [gedaagde sub1] heeft betwist dat deze kosten kosten van de nalatenschap zijn en heeft aangevoerd dat de taxatie volledig op initiatief van [eiseres] is uitgevoerd, zonder overleg of instemming van [persoon1] en [gedaagde sub1] , en dat het taxatierapport inmiddels zijn waarde heeft verloren door tijdsverloop.
De rechtbank overweegt dat [eiseres] niet heeft weersproken dat zij de opdracht tot taxatie zelfstandig heeft gegeven en dat de overige erfgenamen daarin niet zijn betrokken. Daarom kunnen de kosten niet worden beschouwd als gemeenschappelijke kosten die ten laste van de nalatenschap behoren te komen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de taxatiekosten volledig voor rekening van [eiseres] blijven.
Inboedel van het [object1]
[eiseres] stelt dat de inboedel van het [object1] behoort tot de nalatenschap van erflaatster en derhalve tussen partijen moet worden verdeeld. Zij wenst een verdeling (op papier) met gesloten beurzen, waarbij de inboedel in het [object1] blijft. [gedaagde sub1] betwist dat de inboedel tot de nalatenschap van erflaatster behoort en stelt zich primair op het standpunt dat de inboedel eigendom is van [gedaagde sub2] B.V., nu op de balans van deze vennootschap inventaris is opgenomen. [eiseres] betwist echter dat de op de balans opgenomen ‘inventaris’ gelijk te stellen is aan de inboedel van het [object1] . Zij wijst erop dat op de balans slechts een bedrag van € 3.143,-- aan inventaris is vermeld, terwijl de inboedel van het [object1] is getaxeerd op € 168.000,--.
De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de inboedel van het [object1] eigendom is van [gedaagde sub2] B.V. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de inboedel behoort tot de nalatenschap van erflaatster. Voor dat geval zijn partijen het eens dat de in het [object1] aanwezige inboedelzaken verdeeld moeten worden met gesloten beurzen op papier in drie (qua waarde gelijke) delen, waarbij alle toegedeelde zaken in het [object1] aanwezig blijven. Dit zal de rechtbank daarom zo bepalen. [eiseres] heeft als productie 21 een verdelingsvoorstel overgelegd, maar deze niet verder toegelicht. Dit kan dan ook niet als uitgangspunt dienen voor deze verdeling (op papier). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen deze verdeling in onderling overleg zullen vaststellen.
Schuldigerkenning op papier aan [gedaagde sub1] en [persoon1]
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde sub1] en [persoon1] nog een vordering op de nalatenschap hebben uit hoofde van de schuldigerkenning op papier. Volgens [gedaagde sub1] bedraagt de schuldigerkenning per augustus 2020 voor [persoon1] € 671.941,-- en voor hemzelf
€ 650.441,--. Deze bedragen worden niet betwist door [eiseres] . De rechtbank gaat hierna in op de vraag welke vorderingen de nalatenschap nog heeft op [gedaagde sub1] in privé en zijn BV’s. Partijen zijn het eens dat deze vorderingen (en rente), voor zover deze komen vast te staan, verrekend moeten worden met de schuldigerkenning van [gedaagde sub1] .
Vorderingen [gedaagde sub1] privé en BV’s
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster tijdens leven verschillende leningen heeft verstrekt aan [gedaagde sub1] en aan diens vennootschappen. Wel bestaat er discussie of deze leningen volledig zijn afgelost én of deze leningen rentedragend (4,9%) zijn. Het gaat om de volgende leningen:
[gedaagde sub1] in privé € 159.000,00
[bedrijf 1] , € 129.852,00
[bedrijf 2] B.V. € 550.000,00
[gedaagde sub2] BV. € 126.768.00
[eiseres] stelt zich daarbij op het standpunt dat zowel de hoofdsom als de verschuldigde rente bij de verdeling van de nalatenschap in aanmerking moeten worden genomen, hetzij door verrekening met de vordering van [gedaagde sub1] op de nalatenschap, hetzij door toedeling van de vorderingen aan hem.
Vordering [gedaagde sub1] in privé
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de nalatenschap een vordering op [gedaagde sub1] heeft ter hoogte van € 159.000,--, vanwege een lening. Bij gebreke van informatie over deze lening stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde sub1] rente verschuldigd is en dat de verschuldigde rente per datum overlijden € 10.746,63 bedraagt. Hierbij is zij uitgegaan van 4,9% rente aangezien voor een andere lening tussen [gedaagde sub1] ’ B.V. en erflaatster dit rentepercentage ook is afgesproken. [gedaagde sub1] betwist dat voor deze lening op hem in privé een rentepercentage is overeengekomen. Erflaatster en hij hebben volgens hem namelijk geen renteafspraken gemaakt.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv, op de weg van [eiseres] ligt om te stellen en – bij voldoende betwisting – te bewijzen dat tussen erflaatster en [gedaagde sub1] een renteafspraak is gemaakt. [eiseres] heeft weliswaar gewezen op een bankafschrift waarop een rentebetaling van een andere lening met een percentage van 4,9% voorkomt, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat deze lening in privé onder dezelfde rentevoorwaarden is gesloten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lening van [gedaagde sub1] in privé niet rentedragend is.
Vordering [bedrijf 1]
Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering op [bedrijf 1] B.V. met rente is opgelopen tot € 129.852,-- per juni 2022. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat ook na juni 2022 rente verschuldigd is. [gedaagde sub1] betwist dit. Volgens hem is het niet redelijk om na juni 2022 rente te berekenen. Door de constante tegenwerking van [eiseres] is de nalatenschap nog niet is afgewikkeld. Uit coulance heeft hij nog rente berekend tot juni 2022.
De rechtbank concludeert dat voor deze vordering geen rente verschuldigd is na juni 2022. Mede door toedoen van [eiseres] is deze vordering niet eerder is voldaan. Om nu rente te vorderen vanaf juni 2022 acht de rechtbank niet redelijk.
Vordering [bedrijf 2] B.V.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de leningen aan [bedrijf 2] B.V. niet volledig zijn afgelost en dat alle leningen wel rentedragend waren. [eiseres] wijst op tegenstrijdigheden tussen de door [gedaagde sub1] overgelegde grootboekkaarten, bankafschriften en de aangifte inkomstenbelasting van erflaatster. Uit de aangifte inkomstenbelasting over 2012 van erflaatster volgt namelijk dat de vorderingen rentedragend waren. Bovendien heeft [gedaagde sub1] een bankafschrift overgelegd waaruit volgt dat op 15 februari 2012 rente is betaald over de vordering ad € 550.000,--. Er is toen over januari en februari 2012 rente betaald van in totaal € 4.491,66. [eiseres] acht het voorgaande een aanwijzing dat de leningen nog niet (volledig) zijn afgelost. [gedaagde sub1] heeft volgens haar onvoldoende bewijs aangedragen waaruit volgt dat de leningen volledig zijn afgelost.
[gedaagde sub1] erkent dat erflaatster in het verleden leningen heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V., maar voert aan dat deze tijdens haar leven volledig zijn afgelost. Hij verwijst daartoe naar de grootboekadministratie van [bedrijf 2] B.V. en de aangifte inkomstenbelasting 2012 en 2013 van erflaatster, waarin de vorderingen niet meer als actief zijn opgenomen. Dat sommige bankafschriften ontbreken, verklaart hij door het tijdsverloop en de gebruikelijke bewaartermijn. Volgens [gedaagde sub1] blijkt uit de beschikbare grootboekkaarten, de gedeponeerde jaarrekeningen en enkele bankafschriften voldoende dat aflossing heeft plaatsgevonden. Van enig ‘kasrondje’, zoals door [eiseres] gesuggereerd, is volgens hem geen sprake; er zijn geen aanwijzingen dat bedragen teruggesluisd zouden zijn. Uit de overgelegde bankafschriften van 2012 en 2013 blijkt evenmin van overboekingen van erflaatster aan [gedaagde sub1] of diens vennootschappen.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat erflaatster leningen heeft verstrekt aan [bedrijf 2] B.V.. Tussen partijen is in geschil of deze leningen, inclusief de verschuldigde rente, volledig zijn afgelost. Uit de aangifte inkomstenbelasting van erflaatster blijkt dat in eerdere jaren rente van 4,9% in aanmerking is genomen, hetgeen duidt op een rentedragend karakter van (ten minste een deel van) de vorderingen. Dat betekent echter niet zonder meer dat er per saldo nog een rentevordering openstaat. [eiseres] heeft geen concrete stukken overgelegd waaruit blijkt dat na de door [gedaagde sub1] gestelde aflossing nog bedragen aan hoofdsom of rente openstonden, noch dat afgeloste bedragen zijn teruggevloeid naar [gedaagde sub1] of diens vennootschappen. Uit de door [gedaagde sub1] overgelegde grootboekkaarten en de daarop aansluitende jaarrekeningen volgt dat de desbetreffende schulden in de boekhouding van Van [bedrijf 2] B.V. als afgelost zijn verwerkt. Dit sluit aan bij de aangifte inkomstenbelasting van erflaatster over de jaren 2012 en 2013 waarin de betreffende vorderingen niet langer zijn opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van deze verwerking te twijfelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de jaarrekeningen zijn opgesteld door een accountant, van wie mag worden verwacht dat deze de financiële gegevens op zorgvuldige en controleerbare wijze heeft weergegeven. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de vorderingen (met rente) op [bedrijf 2] B.V. volledig zijn afgelost.
Vordering [gedaagde sub2] B.V.
De nalatenschap heeft een vordering op [gedaagde sub2] B.V. van € 126.768,-- Dit bedrag is conform de door [gedaagde sub1] opgestelde indicatieve boedelbeschrijving. Omdat concrete informatie over de verschuldigde rente ontbreekt, is [eiseres] uitgegaan van een rentepercentage van 4,9%, hetgeen volgens haar marktconform en ook gebruikelijk zou zijn geweest tussen [gedaagde sub1] en erflaatster.
[gedaagde sub1] betwist dat rente verschuldigd is. Volgens [gedaagde sub1] is er geen rente overeengekomen tussen erflaatster en [gedaagde sub2] B.V. hij verwijst in dit verband naar de jaarrekening 2017 van [gedaagde sub2] B.V., waarin expliciet is vermeld dat de lening van erflaatster niet rentedragend is.
De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat 4,9% een gebruikelijk rentepercentage zou zijn, maar dat dit is overeengekomen blijkt nergens uit. Daartegenover staat dat [gedaagde sub1] heeft verwezen naar de jaarrekening 2017, waarin de lening expliciet als niet-rentedragend is vermeld. [eiseres] heeft de juistheid van die jaarrekening niet gemotiveerd weersproken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat er een rentepercentage is overeengekomen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vordering op [gedaagde sub2] B.V. € 126.768,00 bedraagt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de vordering onder 5 en 6 in conventie gedeeltelijk zal toewijzen, in die zin dat [gedaagde sub1] , in zijn hoedanigheid van executeur, zal worden veroordeeld om de vorderingen op [gedaagde sub1] in privé ad € 159.000,--, op [bedrijf 1] ad € 129.852,-- en op [gedaagde sub2] B.V. ad € 126.768,-- te verrekenen met de schuldigerkenning op papier aan [gedaagde sub1] van € 650.441,--.
Kosten [naam]
Partijen twisten over de vraag of de door [naam] in rekening gebrachte kosten als kosten van de executele, en daarmee als kosten van de nalatenschap, moeten worden aangemerkt. De kosten van [naam] bedragen in totaal € 133.049,--. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub1] de kosten van [naam] ten onrechte opgenomen als kosten van de nalatenschap. Ook zijn deze kosten disproportioneel, mede omdat een belangrijk deel van de werkzaamheden van [naam] is voortgekomen uit het gebrek aan medewerking en transparantie van [gedaagde sub1] zelf. Zij acht slechts € 50.000,-- redelijk om ten laste van de boedel te brengen; het restant (€ 83.049,--) moet [gedaagde sub1] in privé voldoen. Indien de rechtbank oordeelt dat de volledige kosten toch kosten van de nalatenschap/executele zijn, dan stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de kosten niet redelijk zijn en de toets van doelmatigheid en rechtmatigheid niet doorstaan.
De kosten van [naam] acht [gedaagde sub1] volledig gerechtvaardigd. Volgens hem betreffen het in beginsel normale executeurskosten, die uit de boedel moeten worden voldaan. Dat deze kosten relatief hoog zijn, is mede te wijten aan de talloze vragen en procedure die [eiseres] heeft aangespannen. In reconventie vordert [gedaagde sub1] dan ook dat vanaf mei 2022 alle kosten die voortkomen uit correspondentie met [eiseres] voor haar rekening moeten komen. Door toedoen van [eiseres] zijn de kosten van [naam] immers hoog opgelopen. De kosten vanaf mei 2022 bedragen € 58.843,29.
De rechtbank overweegt dat [naam] reeds gedurende circa dertig jaar betrokken is bij de familie. Tegen deze achtergrond is het logisch dat [naam] ook bij de afwikkeling van de nalatenschap werkzaamheden heeft verricht. Hoewel de declaraties niet in alle opzichten gespecificeerd zijn, staat vast dat deze rechtstreeks aan de erven zijn gefactureerd en dat de werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze kosten als kosten van de nalatenschap dienen te worden aangemerkt. De kosten hebben betrekking op een periode van zeven jaren en zijn, gelet op de omvang van de activa van de nalatenschap, niet buitensporig.
De rechtbank concludeert dan ook dat de in rekening gebrachte kosten van [naam] kosten van de nalatenschap zijn. Vordering 7 in conventie en vordering 1 in reconventie zullen dan ook worden afgewezen.
Advocaatkosten van [gedaagde sub1]
[eiseres] vordert om voor recht te verklaren dat de kosten die [gedaagde sub1] in het kader van deze procedure heeft gemaakt, niet aangemerkt kunnen worden als kosten van de executele. [gedaagde sub1] dient deze kosten zelf te dragen, omdat een executeur geen rol heeft in een verdelingsprocedure.
In reconventie vordert [gedaagde sub1] dat zijn advocaatkosten voor deze procedure gekwalificeerd moeten worden als kosten van de executele. Volgens [gedaagde sub1] bedragen de kosten circa € 15.000,--. Al vanaf augustus 2020 heeft hij suggesties gedaan hoe bepaalde vorderingen geïnd kunnen worden. Bovendien heeft het [gedaagde sub1] veel tijd gekost om [eiseres] uit te leggen dat de [bedrijf 2] BV de leningen bij leven van erflaatster volledig heeft afgelost. [gedaagde sub1] acht het dan ook redelijk dat zijn advocaatkosten kosten van de executele zijn.
[gedaagde sub1] is in deze procedure zowel in zijn hoedanigheid van executeur als in privé betrokken. De procedure ziet op de verdeling van de nalatenschap. Op grond van artikel 4:7 lid 1 onder d BW behoren tot de schulden van de nalatenschap de kosten van vereffening en executele, voor zover deze kosten in het belang van de nalatenschap zijn gemaakt. Dit betekent dat slechts die kosten die de executeur redelijkerwijs heeft moeten maken ter uitvoering van zijn taak als zodanig, ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht.
Nu [gedaagde sub1] ook in zijn hoedanigheid van executeur is gedagvaard, diende hij zich te verweren tegen de vorderingen en mocht zich dan ook van rechtsbijstand voorzien. De daarmee samenhangende kosten kunnen daarom in beginsel als kosten van de executele worden beschouwd. Echter, het betreft een verdelingsprocedure, een aangelegenheid waarbij [gedaagde sub1] ook een eigen belang heeft, dat losstaat van zijn taak als executeur. Voor dat deel dienen de door hem gemaakte advocaatkosten niet ten laste van de nalatenschap te komen, maar door [gedaagde sub1] zelf te worden gedragen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het dan ook redelijk de advocaatkosten van [gedaagde sub1] voor de helft aan te merken als kosten van de executele en voor de helft als persoonlijke kosten voor [gedaagde sub1] . De vordering van [eiseres] in conventie om voor recht te verklaren dat de advocaatkosten van [gedaagde sub1] voor maximaal € 50.000,-- als kosten van de executele kunnen worden beschouwd, wordt dan ook afgewezen. De reconventionele vordering 2 van [gedaagde sub1] wordt slechts gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de helft van de door hem gemaakte advocaatkosten ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.
Resumé verdeling nalatenschap
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vordering 1 in conventie afwijzen en de wijze van verdeling als volgt vaststellen:
de erfgenamen ontvangen ieder 1/3e deel van het banksaldo van de ervenrekening, waarbij de peildatum de datum van verdeling is;
de verkoopopbrengst van [object2] zal gelijkelijk tussen de drie erfgenamen worden verdeeld;
de kosten van het taxatierapport van de [object2] ad € 1.286,-- komen voor rekening van [eiseres] ;
de inboedel van het [object1] zal worden verdeeld in gelijke delen met gesloten beurzen, op papier, waarbij deze inboedel in het [object1] blijft;
in het kader van de schuldigerkenning op papier heeft [persoon1] een vordering op de nalatenschap van € 671.941,-- en [gedaagde sub1] heeft een vordering van € 650.411,--;
de nalatenschap heeft vorderingen op [gedaagde sub1] in privé ad € 159.000,--, op [bedrijf 1] ad € 129.852,-- en op [gedaagde sub2] B.V. ad € 126.768,--. Deze vorderingen van in totaal € 415.620,-- worden verrekend met de schuldigerkenning op papier aan [gedaagde sub1] van € 650.411,--.
de door [naam] in rekening gebrachte kosten ad € 133.049,-- zijn kosten van de nalatenschap.
[gedaagde sub1] mag de helft van de door hem gemaakte advocaatkosten ten laste brengen van de nalatenschap.
Medewerking verlenen aan de verdeling, op straffe van een dwangsom
Gelet op de houding van partijen tijdens de mondelinge behandeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om [gedaagde sub1] te bevelen medewerking te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap op straffe van een dwangsom. De rechtbank zal vordering 2 in conventie dan ook afwijzen wegens gebrek aan belang.
Medewerking verlenen aan de verkoop en levering van [object2]
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de onderhandelingen met de pachters daadwerkelijk in volle gang zijn en de kans groot is dat de boerderij binnenkort zal worden verkocht. Bovendien heeft [gedaagde sub1] , op verzoek van [eiseres] , tijdens de zitting toegezegd dat hij zal meewerken om de boerderij te verkopen. Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] onvoldoende belang bij toewijzing van vordering 4 in conventie, die strekt tot het bevelen van medewerking aan de verkoop van de boerderij. Deze vordering zal daarom worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Ook de subsidiaire en meer subsidiaire vordering zal de rechtbank afwijzen wegens gebrek aan belang.
Proceskosten worden gecompenseerd
Er is sprake van familieverhoudingen. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat proceskosten in familieverhoudingen worden gecompenseerd. Daarom zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit betekent voor [gedaagde sub1] dat hij de helft van de advocaatkosten van deze procedure ten laste mag brengen van de nalatenschap, zoals volgt uit rechtsoverweging 4.22.
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie:
stelt de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast als overwogen in rechtsoverweging 4.23,
stelt de verdeling van de inboedel van het [object1] vast aldus dat de in het [object1] aanwezige inboedelzaken met gesloten beurzen
op papier in drie (qua waarde gelijke) delen verdeeld, waarbij alle toegedeelde
zaken in het [object1] aanwezig blijven.
veroordeelt [gedaagde sub1] als executeur de vorderingen op [gedaagde sub2] B.V., [bedrijf 1] B.V. en op hem in privé te verrekenen met zijn schenking op papier, zoals bedoeld in r.o. 4.13.11,
In reconventie:
bepaalt dat de kosten van [naam] ad € 133.049,-- kosten van de nalatenschap zijn,
verklaart voor recht dat de advocaatkosten van [gedaagde sub1] voor de helft ten laste komen van de nalatenschap,
In conventie en in reconventie:
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen [gedaagde sub2] B.V.,
bepaalt dat de door partijen gemaakte afspraken in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap blijven gelden,
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, waarbij [gedaagde sub1] de helft van de advocaatkosten van deze procedure ten laste mag brengen van de nalatenschap,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.