ECLI:NL:RBMNE:2025:7278

ECLI:NL:RBMNE:2025:7278, Rechtbank Midden-Nederland, 22-12-2025, UTR 25/2534

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer UTR 25/2534
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verzoek schadevergoeding art. 8:88 Awb. Rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Als gevolg van het onrechtmatig besluit is geen inkomstenderving ontstaan. Ook is de vaststelling van de restverdiencapaciteit met terugwerkende kracht niet van negatieve invloed geweest op de hoogte van de uitkering van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2534

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: S. Elfert)

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Als gevolg van het onrechtmatig besluit is namelijk geen inkomstenderving ontstaan. Ook is de vaststelling van de restverdiencapaciteit met terugwerkende kracht niet van negatieve invloed geweest op de hoogte van de uitkering van verzoeker.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 14 maart 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 14 november 2023 heeft het Uwv de toekenning van een WIA uitkering per 7 juni 2023 geweigerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt.

In de beslissing op bezwaar van 17 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 56,43% en met terugwerkende kracht per 7 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend.

Op 31 januari 2025 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het Uwv wegens de onrechtmatigheid van het primaire besluit van 14 november 2023. Het Uwv heeft bij brief van 26 februari 2025 aan verzoeker medegedeeld niet tot schadevergoeding over te gaan. Daarbij heeft het Uwv geconcludeerd dat er geen of onvoldoende causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit en de geclaimde schade. Volgens het Uwv bestaat er geen recht op schadevergoeding anders dan de wettelijke rente, die bij de nabetaling aan verzoeker is vergoed.

Verzoeker heeft vervolgens op 9 april 2025 een verzoekschrift om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het verzoekschrift op 8 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het Uwv. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 13 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het Uwv om inlichtingen verzocht. Het Uwv heeft op 4 september 2025 op dit verzoek gereageerd. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om op de inlichtingen van het Uwv te reageren.

Op 17 oktober 2025 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om een nadere zitting te houden. Geen van partijen heeft laten weten dat zij alsnog op zitting wil worden gehoord. De rechtbank heeft op 19 november 2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek om schadevergoeding

3. Verzoeker verzoekt om een schadevergoeding van € 20.472,12 bruto (18 maanden de restverdiencapaciteit van € 1.137,34 bruto). Verzoeker stelt dat hij door de onzekerheid omtrent de uitkomst van het bezwaar geen gebruik heeft kunnen maken van mogelijkheden om de minimale restverdiencapaciteit te realiseren in de periode 7 juni 2023 tot en met 17 december 2024. Die restverdiencapaciteit is immers pas vastgesteld met het besluit op bezwaar van 17 december 2024.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

Beoordeling van het schadeverzoek

5. Het Uwv erkent dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Dit betekent echter nog niet dat het Uwv gehouden is om de door verzoeker gestelde schade te vergoeden. Daarvoor is namelijk ook vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan en dat er een causaal verband is tussen die schade en het onrechtmatige besluit.

Is inkomstenderving ontstaan als gevolg van het onrechtmatig besluit?

6. Verzoeker stelt dat sprake is van inkomstenderving omdat hij als gevolg van de onzekerheid over de uitkomst van het bezwaar geen mogelijkheden heeft kunnen benutten om de minimale restverdiencapaciteit te realiseren. De rechtbank begrijpt de schadeclaim van verzoeker zo, dat hij aanvoert dat hij in de periode van 7 juni 2023 tot en met 17 december 2024 inkomen had kunnen verdienen maar dat als gevolg van het onrechtmatige besluit van het Uwv niet heeft kunnen doen.

Restverdiencapaciteit

De rechtbank stelt voorop dat de minimale restverdiencapaciteit een theoretisch bedrag is. Het is het bedrag dat verzoeker volgens het arbeidsdeskundig onderzoek van het Uwv nog kan verdienen met passende werkzaamheden, rekening houdend met zijn beperkingen zoals vastgesteld na het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv. De vaststelling van de minimale restverdiencapaciteit heeft ook praktische gevolgen, omdat de inkomenseis van artikel 60 van de Wet WIA aan de hand van de restverdiencapaciteit wordt vastgesteld. De rechtbank zal deze praktische gevolgen nader bespreken in overweging 7.

De rechtbank is van oordeel dat de minimale restverdiencapaciteit niet kan dienen als grondslag van de schadeclaim van verzoeker, omdat het gaat om een theoretisch bedrag. Een berekening van gederfde inkomsten kan niet worden gebaseerd op dit theoretisch bedrag, omdat het niet gaat om daadwerkelijk gemiste inkomsten. Ook als de restverdiencapaciteit al in het primaire besluit juist was vastgesteld, zou dit niet hebben geleid tot daadwerkelijke inkomsten, al dan niet ter hoogte van de restverdiencapaciteit. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van 18 maanden het bedrag aan restverdiencapaciteit dan ook af, omdat dit geen schade is.

Gemiste kansen

De rechtbank begrijpt uit de schadeclaim van verzoeker ook dat hij aanvoert dat hij als gevolg van de onzekerheid over de uitkomst van het bezwaar kansen heeft gemist en daardoor inkomsten is misgelopen. Op een schadeclaim vanwege gemiste kans op succes kan de leer van de kansschade worden toegepast. In dergelijke gevallen staat het onrechtmatige besluit wel vast, zoals het Uwv in dit geval ook erkent, maar is het onzeker of een ander besluit tot succes voor verzoeker zou hebben geleid. Daardoor is het bestaan en de omvang van schade onzeker, omdat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre de kans op succes zich zou hebben gerealiseerd als het onrechtmatige besluit zich niet zou hebben voorgedaan. Om in dit soort gevallen een schadevergoeding toe te kennen, is dus vereist dat een zogenaamd condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen het onrechtmatig besluit en het verlies van de kans op succes.

De rechtbank is van oordeel dat geen condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit en het gestelde verlies van de kans op succes. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het onrechtmatig besluit concrete kansen op de arbeidsmarkt of als zelfstandige heeft gemist waaruit hij inkomsten had kunnen genieten. Dat verzoeker als gevolg van het onrechtmatige besluit van het Uwv niet heeft kunnen werken mist bovendien ook feitelijke grondslag, omdat uit de stukken blijkt dat verzoeker (weliswaar voor een beperkt aantal uren) werkzaam was in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 november 2024. De gestelde inkomstenderving is onvoldoende onderbouwd en er is geen sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatig besluit en de gestelde schade. Verzoeker had niet minder kans op inkomen vanwege het onrechtmatige primaire besluit.

Heeft de vaststelling van de restverdiencapaciteit met terugwerkende kracht nadelige gevolgen gehad voor de hoogte van de uitkering?

7. De rechtbank overweegt dat hoewel de minimale restverdiencapaciteit een theoretisch bedrag is, dit bedrag wel relevant is voor de hoogte van de uitkering van verzoeker. De inkomenseis van artikel 60 van de Wet WIA wordt immers aan de hand van de restverdiencapaciteit vastgesteld. In het geval van verzoeker is de inkomenseis ingegaan op het moment dat zijn loongerelateerde uitkering per 28 juni 2024 is omgezet in een vervolguitkering. Omdat de restverdiencapaciteit in het geval van verzoeker met terugwerkende kracht is vastgesteld op 17 december 2024, kon verzoeker als gevolg van het onrechtmatige besluit vanaf 28 juni 2024 geen rekening houden met eventuele negatieve gevolgen van het niet verdienen van de inkomenseis (gebaseerd op de restverdiencapaciteit). In zoverre begrijpt de rechtbank het schadeverzoek van verzoeker zo, dat hij aanvoert dat de terugwerkende kracht van de restverdiencapaciteit wel degelijk van invloed is geweest op zijn inkomsten.

De rechtbank is nagegaan of het met terugwerkende kracht vaststellen van de restverdiencapaciteit een negatieve invloed heeft gehad op het bedrag dat verzoeker van het Uwv heeft ontvangen. De rechtbank heeft daarom aanvullende inlichtingen gevraagd aan het Uwv. Het Uwv heeft in de aanvullende toelichting van 4 september 2025 de hypothetische situatie berekend als de inkomenseis, gebaseerd op de restverdiencapaciteit, niet voor verzoeker zou gelden. Uit de berekeningen van het Uwv volgt dat als verzoeker een volledige loonaanvullingsuitkering had ontvangen er géén verschil zou zijn met het bedrag dat hij feitelijk heeft ontvangen vanuit de vervolguitkering. Dat komt omdat op grond van de Toeslagenwet de uitkering van verzoeker wordt aangevuld tot het sociaal minimum.

De rechtbank kan de conclusie van het Uwv dat verzoeker géén lager bedrag heeft ontvangen dan wanneer hij een volledige loonaanvullingsuitkering had ontvangen, volgen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het feit dat de restverdiencapaciteit met terugwerkende kracht is vastgesteld, waardoor verzoeker hierop niet heeft kunnen anticiperen, geen nadelige invloed heeft gehad op de hoogte van zijn uitkering. Verzoeker heeft daarom ook hieruit geen schade geleden als gevolg van het onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Omdat verzoeker geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.

De griffier is verhinderd

te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Coenen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?