RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3598
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Koopmans).
Procesverloop
In de beschikking van 27 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
Met de uitspraak op bezwaar van 23 april 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 november 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen, zonder bericht van verhindering.
Overwegingen
2. Op 15 maart 2024 stond het voertuig van eiser met kenteken [plaats] geparkeerd op de Vleutenseweg in Utrecht, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 16:58 uur opgelegd.
3. Eiser voert aan dat hij aan het laden en lossen was. Dit ging om onder andere kantoorspullen. Eiser is van mening dat als hij niet op de foto’s staat dat niet wil zeggen dat je niet bezig bent met laden en lossen. In reactie op het verweerschrift vult eiser aan dat hij niet op de foto’s te zien was omdat hij op dat moment bezig was in het pand om de spullen neer te zetten. Hij laat hierbij zijn kofferbak niet open omdat er teveel gestolen wordt bij het openlaten van voertuigen. Het was bij hem niet bekend dat hij de knipperlichten aan had moeten zetten aangezien deze lampen bedoeld zijn als gevarenlicht en hij in een parkeervak stond.
4. De heffingsambtenaar licht toe dat artikel 225, lid 2 van de Gemeentewet bepaalt, dat onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Volgens vaste rechtspraak moet het bij het ‘onmiddellijk laden of lossen van zaken’ gaan om het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Voor de vraag of sprake is van het ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken’ rust op eiser de bewijslast. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat daarvan geen sprake was. Vervolgens geeft de heffingsambtenaar de werkwijze weer, waarbij er geen naheffingsaanslag wordt opgelegd als uit de foto’s duidelijk blijkt dat sprake is van laden en lossen. Als er daarna door de deskcontrol medewerker getwijfeld wordt of de aanslag terecht is opgelegd, hij kan besluiten om alsnog een parkeercontroleur ter plaatse te laten controleren. Daarvan kan sprake zijn als iemand in het voertuig zit of als de lampen aan staan. In dit geval is er volgens de heffingsambtenaar geen aanleiding geweest om te twijfelen of er al dan niet sprake was van parkeren. Daarom heeft er geen nacontrole plaatsgevonden. Uit de foto’s blijkt niet dat er sprake is van directe laad/los activiteiten, open portieren c.q. laadklep dan wel of sprake is van brandende verlichting. Ook staan er geen personen op de foto’s. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het ook echt moet gaan om zaken die moeilijk anders dan met een auto vervoerd kunnen worden.
5. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen en is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Op het moment dat iemand zijn auto neerzet op een plek waar normaal gesproken voor moet worden betaald, en daarbij gebruik wilt maken van een uitzondering op die regel, zoals voor het onmiddellijk laden en lossen, dan moet de bestuurder kunnen aantonen dat daar sprake van is. Daarnaast moet de bestuurder aan kunnen tonen dat het gaat om zaken van enige omvang en gewicht, die niet op een andere manier dan met de auto vervoerd hadden kunnen worden. Dat heeft eiser niet gedaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser de naheffingsaanslag moet betalen. Er is daarom geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.