ECLI:NL:RBMNE:2025:7349

ECLI:NL:RBMNE:2025:7349, Rechtbank Midden-Nederland, 22-12-2025, 16-701219-12

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 16-701219-12
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vordering opheffing gijzeling. In artikel 6:6:1, eerste lid, Sv is bepaald dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in handen is van de Minister. De verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, waaronder ook rechterlijke beslissingen om gijzeling toe te staan, is daarmee uitdrukkelijk gelegd bij de Minister. Gelet hierop en nu de wet de veroordeelde geen mogelijkheid (meer) biedt om de rechter te verzoeken de gijzeling op te heffen, is verzoeker niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

[verzoeker] op [geboortedatum] 1961,

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

parketnummer: 16-701219-12

raadkamernummer: 25-030245

Beslissing van de politierechter op het verzoek op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van:

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] ,

domicilie kiezende op het kantoor van zijn raadsman, mr. J.A. Schadd te Arnhem,

hierna te noemen: verzoeker.

Feiten

Bij beslissing van 19 juni 2013 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij beslissing van 11 februari 2015 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van

€ 233.009,61. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.

Bij beslissing van 1 februari 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank op de vordering tot machtiging gijzeling van de officier van justitie, heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoeker op dat moment niet volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft echter ook aanleiding gezien om de beslissing op de vordering voor een periode van zes maanden aan te houden om verzoeker zo de kans te geven om te bewijzen dat hij (alsnog) zijn betalingsverplichting nakomt.

Bij beslissing van 16 augustus 2023 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank als volgt overwogen:

“Veroordeelde heeft de kans die hem is geboden door de rechtbank op 1 februari van dit jaar niet benut: hij heeft zich na zijn vrijlating uit detentie niet laten inschrijven in de

basisregistratie personen, hij heeft in de afgelopen zes maanden geen betalingen in het kader

van zijn betalingsverplichting verricht en hij heeft ook geen betalingsregeling met het CJIB

getroffen, of een poging daartoe gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het hiervoor geschetste verloop genoegzaam is gebleken dat veroordeelde niet volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan. Door veroordeelde is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat moet worden geacht om op maandelijkse basis een reëel bedrag te betalen en daarmee aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde had op 1 februari 2023 namelijk de verwachting een voldoende inkomen te hebben en in staat te zijn een betalingsregeling te treffen met het CJIB, maar heeft daartoe geen actie ondernomen.”

De rechtbank heeft vervolgens de vordering toegewezen en een machtiging verleend tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.

Verzoeker zit sinds 10 mei 2025 gedetineerd uit hoofde van deze gijzeling.

Verzoeker heeft inmiddels een bedrag van € 77.053,08 afgelost. Het openstaande bedrag bedraagt nog € 150.956,53.

Procedure

Het verzoek opheffing gijzeling is op 21 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Het verzoek van verzoeker is op 15 december 2025 ter terechtzitting behandeld. Daarbij zijn gehoord de raadsman, mr. J.A. Schadd, verzoeker en de officier van justitie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ontvankelijkheid

De officier van justitie acht verzoeker niet-ontvankelijk in diens verzoek, nu de rechter niet bevoegd is om een verzoek tot opheffing van gijzeling ter zake van een ontnemingsmaatregel in behandeling te nemen. Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet Herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) is de mogelijkheid voor een veroordeelde om de rechter om opheffing van de gijzeling te verzoeken komen te vervallen. Artikel 6:6:25 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt uitdrukkelijk dat (uitsluitend) de Minister de gijzeling te allen tijde kan beëindigen. Hierbij is onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:14421).

Inhoudelijke beoordeling

De officier van justitie stelt dat verzoeker medio 2023 de beschikking kreeg over een fors geldbedrag in verband met door hem gepleegde strafbare feiten (diefstal van een kluis met een geldbedrag van € 144.000,-, diefstal van een sigarendoos met een geldbedrag van € 3.000,-, een juwelendoosje met juwelen en een doos met een geldbedrag van € 15.000,-). Verzoeker is daarvoor veroordeeld bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2024. Verzoeker heeft de buitgemaakte gelden niet aangewend ter betaling van de bij het CJIB openstaande zaken. Dat ondanks deze buit van betalingsonmacht sprake is, is niet onderbouwd.

Standpunt van verzoeker

Ontvankelijkheid

De raadsman is van mening dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de rechtbank bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Hij verwijst hierbij naar artikel 6:6:25 Sv waarin niet staat dat de rechter niet bevoegd is. Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet USB, heeft de Minister de bevoegdheid gekregen tot beëindiging van de gijzeling. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat de overige regels blijven gelden, zodat de rechter bevoegd blijft om over een verzoek tot opheffing van de gijzeling te beslissen. De raadsman verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 november 2022 (ECLI:NL:RBGEL:2022:6743). Het gaat om vrijheidsbeneming en daarom moet een rechtzoekende een rechter kunnen inschakelen. Ook verwijst de raadsman naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI: HR:2023:1919), waaruit blijkt dat bij schending van de mensenrechten een rechtzoekende ten allen tijden een rechter moet kunnen inschakelen.

Inhoudelijke beoordeling

De raadsman heeft namens verzoeker gesteld dat verzoeker een aanzienlijk deel van het ontnemingsbedrag heeft afgelost, te weten € 77.0053,08. Verzoeker is ook bereid te betalen en heeft daartoe verschillende keren geprobeerd een betalingsregeling te treffen met het CJIB/AICE. Meer dan hij daarbij heeft aangeboden kan verzoeker niet betalen zolang hij vastzit, in zoverre is sprake van betalingsonmacht. De aan de ontnemingsmaatregel ten grondslag liggende berekening ziet op uitgaven welke verzoeker destijds voor levensonderhoud heeft moeten voldoen. Het kennelijk genoten voordeel was er dus al niet meer toen het ontnemingsbedrag werd vastgesteld. Verzoeker beschikt niet over andere gelden. Als de gijzeling wordt opgeheven, kan verzoeker fulltime aan het werk bij een energieprovider en zal hij meer kunnen voldoen en een betalingsregeling kunnen treffen. Zolang verzoeker vastzit wordt het doel van de gijzeling, te weten voldoening van het openstaande bedrag, niet behaald, waardoor de toepassing en de voortduring ervan een punitief karakter heeft gekregen. Daarvoor is gijzeling niet bedoeld.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De politierechter stelt vast dat in artikel 6:6:25 lid 7 Sv niet is opgenomen de tot 1 januari 2020 op grond van art. 577c Sv (oud) geldende bepaling dat de veroordeelde de rechter kan verzoeken om opheffing van (toen nog) de lijfsdwang. In de Memorie van Toelichting staat niet beschreven dat en evenmin waarom deze mogelijkheid tot opheffing niet is opgenomen in het nieuwe wetsartikel. Daarbij merkt de politierechter op dat in art. 577c Sv (oud) onderscheid is gemaakt tussen de mogelijkheid tot beëindiging door de officier van justitie en tot opheffing door de rechter. Sinds de inwerkingtreding van de Wet USB per 1 januari 2020 is niet langer de Officier van Justitie, maar de Minister bevoegd de gijzeling te beëindigen (artikel 6:6:25, zevende lid, Sv). De beëindigingsmogelijkheid is dus wel opgenomen in het nieuwe artikel, maar de opheffingsmogelijkheid is zonder enige toelichting verdwenen. De wetgever geeft daarmee geen blijk van een bewuste keuze om de opheffingsbevoegdheid door de rechter te laten vervallen. Wel valt in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2019/2020, 35 311, nr 3, p. 16) te lezen: ‘Met artikel XLIVa, tweede lid, wordt verduidelijkt dat na inwerkingtreding van de Wet USB niet het openbaar ministerie, maar de Minister kan beslissen tot beëindiging van een (oude) lijfsdwang of vervangende hechtenis, zoals hij dat ook kan bij het dwangmiddel gijzeling (artikelen 6:4:20, vierde lid, en 6:6:25, zevende lid, Sv). Voor het overige blijven de huidige regels gelden.’ Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat het de bedoeling van de wetgever was om de opheffingsmogelijkheid door de rechter te laten bestaan, maar dat dit door een fout niet in de nieuwe bepaling is opgenomen.

De politierechter stelt verder echter ook vast dat in artikel 6:6:1, eerste lid, Sv is bepaald dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in handen is van de Minister. Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, waaronder ook rechterlijke beslissingen om gijzeling toe te staan, uitdrukkelijk gelegd bij de Minister. Gelet hierop en nu de wet de veroordeelde geen mogelijkheid (meer) biedt om de rechter te verzoeken de gijzeling op te heffen, zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

Beslissing

De politierechter verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.F. Haeck, politierechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.M.H.W. Boelhouwers, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 22 december 2025.

Verklaart de griffier buiten staat

deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M.H.W. Boelhouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?