RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
RTL Nieuws B.V., te Hilversum, eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2955
(gemachtigde: F. Bremer)
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres van 13 mei 2025, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na deze twee weken nog steeds geen besluit heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft haar verzoek ingediend op 12 februari 2025. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek van eiseres en kan deze termijn eenmalig met twee weken verlengen. Dit betekent dat de beslistermijn van verweerder uiterlijk afliep op 26 maart 2025. De termijn waarbinnen de minister moest beslissen is inmiddels verstreken. Eiseres heeft verweerder op 16 april 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er twee weken voorbij gegaan.
4. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder sub b, van de Awb kan eiseres een beroepsschrift indienen zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop eiseres het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld in gebreke te zijn. Het feit dat de bij wet gestelde termijn van twee weken niet als zodanig is benoemd in de ingebrekestelling van eiseres, zoals verweerder in zijn verweerschrift van 26 mei 2025 aanvoert, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling rechtmatig is. Uit de ingebrekestelling komt duidelijk naar voren dat eiseres vindt dat verweerder niet op tijd heeft beslist en erop aandringt dat alsnog een beslissing wordt genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van eiseres, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank acht deze termijn reëel, omdat verweerder in zijn verweerschrift van 26 mei 2025 heeft aangegeven dat hij niet verwacht vóór augustus 2025 te kunnen besluiten en de maand augustus is inmiddels al verstreken.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de doorgaans gehanteerde tarieven. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
uitspraak alsnog een besluit op het verzoek bekend te maken;
- Bepaalt dat de verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: