RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
RTL Nieuws B.V., te Hilversum, eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2997
(gemachtigde: R. Schreinemachers)
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres van 13 mei 2025, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoeken om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na deze twee weken nog steeds geen besluit heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft haar verzoek ingediend op 4 maart 2025. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek van eiseres en kan deze termijn eenmalig met twee weken verlengen. Dit betekent dat de beslistermijn van verweerder uiterlijk afliep op 15 april 2025. De termijn waarbinnen de minister moest beslissen is inmiddels verstreken. Verweerder heeft op 17 juni 2025 zijn verweerschrift ingediend. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb kan eiseres een beroepsschrift indien zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop eiseres het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld in gebreke te zijn. Eiseres heeft verweerder op 23 april 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er twee weken voorbij gegaan. Het feit dat de bij wet gestelde termijn van twee weken niet als zodanig is benoemd in de ingebrekestelling van eiseres, zoals verweerder in zijn verweerschrift van 17 juni 2025 opmerkt, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling rechtmatig is. Uit de ingebrekestelling komt duidelijk naar voren dat eiseres vindt dat verweerder niet op tijd heeft beslist en erop aandringt dat alsnog een beslissing wordt genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van eiseres, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Een bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat het besluitvormingsproces in dit geval langer duurt dan bij andere Woo-verzoeken, vanwege de politieke gevoeligheid en mediagevoeligheid van het verzoek. Er moet daarom meer interne en externe afstemming plaatsvinden dan normaal gesproken. Ook moeten er extra stappen gezet worden, waaronder het informeren van de minister en de Tweede Kamer over het verzoek. De minister verwacht niet eerder dan in november 2025 te kunnen beslissen. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk op 28 november 2025 een besluit moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister uiterlijk op 28 november 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verzoek bekend te maken;
- Bepaalt dat de verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: