ECLI:NL:RBMNE:2025:7362

ECLI:NL:RBMNE:2025:7362

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 11-02-2025
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 25- 9, 10
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

WHOA-procedure, afwijzing verzoek afkoelingsperiode en aanwijzing herstructureringsdeskundige, geen WHOA-toestand. Ondernemer kan geen zekerheid geven dat de lopende kosten kunnen worden voldaan. Zij heeft zelfs geen zicht op wat deze kosten zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

beschikking

Afdeling Toezicht

Locatie Lelystad

verzoek afkoelingsperiode en aanwijzing herstructureringsdeskundige

rekestnummer: 25- 9, 10

uitspraakdatum: 11 februari 2025

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 371 en 376 Faillissementswet (Fw):

mevrouw

[verzoekster]

handelende onder de naam [handelsnaam],

wonende en zaakdoende te [plaats] ,

hierna: [verzoekster]

advocaat: mr. J.M. Koppert.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de startverklaring, ter griffie gedeponeerd op 31 december 2024, waaruit volgt dat [verzoekster]

heeft gekozen voor een openbare akkoordprocedure;

- het verzoekschrift afkondiging afkoelingsperiode en benoeming herstructureringsdeskundige van 9 januari 2025 met producties;

- de aanvullende producties van [verzoekster] ingediend op 28 januari 2025.

Het verzoek is op 28 januari 2025 via een videoverbinding in raadkamer behandeld. Ter zitting zijn verschenen:

- mevrouw [verzoekster] voornoemd,

- mr. J.M. Koppert,

- de heer [A] , kantoorgenoot van mr. Koppert,

- mr. M. Kashyap namens [onderneming] B.V.,

- mr. [B] , kantoorgenoot van mr. Kashyap,

- de heer [C] namens [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ).

Zowel [verzoekster] als [onderneming] hebben ter zitting hun standpunten mondeling toegelicht.

2. Het verzoek en de onderbouwing daarvan

[verzoekster] doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor de duur van vier maanden, alsook tot het benoemen van een herstructureringsdeskundige ex artikel 371 Fw. Zij onderbouwt haar verzoek als volgt.

[verzoekster] verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schuldeisers niet zal kunnen voortgaan. [verzoekster] exploiteert een horecagelegenheid in het centrum van [plaats] . [verzoekster] voert aan dat door herinrichting van het centrum “de loop” eruit is en zij hierdoor te weinig klanten trekt. Zij is al enige tijd niet meer in staat haar lopende verplichtngen te voldoen. Dit komt mede door de kosten van een langdurig zieke werknemer. [verzoekster] heeft inmiddels een schuldenlast opgebouwd van ca. € 172.000,00 aan 23 schuldeisers. [verzoekster] is voornemens om met ingang van maart 2025 haar onderneming voort te zetten op een andere (betere) locatie met een lagere huurprijs. Zij verwacht bovendien binnenkort afscheid te kunnen nemen van haar langdurig zieke werknemer. [verzoekster] denkt medio april voldoende omzet te genereren om aan haar lopende ondernemingsverplichtingen te kunnen voldoen.

[verzoekster] is voornemens om de hypotheeklening op haar woning, die een aanmerkelijke overwaarde heeft, te verhogen om daarmee haar schuldeisers te voldoen. Om de maandelijkse lasten die zijn verbonden aan het verhogen van haar hypotheek te kunnen betalen heeft [verzoekster] , naast haar onderneming, een baan in loondienst. De hypotheekverstrekker weigert volgens [verzoekster] medewerking aan het verhogen van de hypotheek, omdat [onderneming] (conservatoir) beslag heeft gelegd op de woning van [verzoekster] . Zij kan daardoor niet verder met het oplossen van haar schulden.

[verzoekster] heeft de verwachting dat zij met de afkoelingsperiode en de hulp van een professionele herstructureringsdeskundige de beslaglegger kan dwingen tot opheffing van zijn beslag, alsook dat andere schuldeisers geen kostenverhogende maatregelen zullen treffen. [verzoekster] leeft met de vrees dat zij zonder beschermende maatregelen failliet zal raken. Haar schuldeisers zullen door de gedwongen verkoop van haar woning wel worden voldaan, maar [verzoekster] zal dan achterblijven met een eventueel resterende overwaarde en zonder een dak boven haar hoofd voor zichzelf en haar gezin.

Ter zitting heeft mr. Koppert verzocht de beslissing op het verzoek tot het aanwijzen van een herstructureringsdeskundige aan te houden, omdat het nog niet is gelukt om een deskundige te vinden die binnen het budget van [verzoekster] in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren.

3. De zienswijze

[onderneming] verzet zich tegen de verzoeken van [verzoekster] . [onderneming] heeft een vordering op [verzoekster] van thans € 70.000,00 die nog iedere maand oploopt. [onderneming] heeft voor het laatst in juni 2024 een (gedeeltelijke) huurbetaling ontvangen van € 600,00. [onderneming] heeft niet de verwachting dat de lopende huurpenningen over februari 2025 stipt zullen worden voldaan en heeft [verzoekster] inmiddels betrokken in een ontruimingsprocedure. [onderneming] is in afwachting van de (toewijzende) uitspraak van de kantonrechter. Verder heeft [verzoekster] niet gesteld binnen welke termijn zij een akkoord zal aanbieden. De verzoeken van [verzoekster] voldoen daarmee niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. [verzoekster] moet niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken. [onderneming] is evenwel bereid mee te werken aan opheffing van haar beslag als betaling van haar schuld op andere wijze wordt gegarandeerd.

4. De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

De rechtbank stelt allereerst vast dat de onderhavige -gezamenlijk ingediende- verzoeken tot het afkondigen van een afkoelingsperiode en benoeming van een herstructureringsdeskundige het eerste verzoek is dat [verzoekster] aan de rechtbank heeft voorgelegd na het deponeren van de startverklaring. Dat betekent dat de rechtbank nu moet vaststellen welk soort akkoordprocedure als bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw door [verzoekster] is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of aan haar de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.

Volgens de gedeponeerde startverklaringen kiest [verzoekster] voor een openbare akkoordprocedure.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw jo artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jo artikel 1:10 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd deze procedure te openen, nu [verzoekster] in Nederland woont en haar onderneming heeft. De rechtbank Midden-Nederland is relatief bevoegd. De openbare akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee voor de volledige duur van de akkoordprocedure vast.

Startverklaring en ontvankelijkheid

[verzoekster] heeft op 31 december 2024 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. Bij de verzoeken om een afkoelingsperiode en een herstructureringsdeskundige is door [verzoekster] voldoende concreet gesteld dat zij op korte termijn daadwerkelijk tot voldoening van haar schuldeisers wenst te komen, maar dat zij hiervoor, mede vanwege het beslag van [onderneming] op haar woning, geen termijn kan noemen. [verzoekster] kan dan ook worden ontvangen in haar verzoeken.

WHOA-toestand

De verzoeken van [verzoekster] zijn gebaseerd op de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA). Om toegang te krijgen tot de akkoordprocedure moet redelijkerwijs aannemelijk zijn dat [verzoekster] in de toestand verkeert waarin zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden (de zogenaamde WHOA-toestand). Bij de beoordeling of sprake is van deze toestand zijn twee facetten van belang, namelijk dat (1) [verzoekster] nog in staat is om aan haar lopende verplichtingen te voldoen, maar dat (2) geen realistisch vooruitzicht bestaat dat een toekomstige insolventie kan worden afgewend als haar schulden niet worden geherstructureerd. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze WHOA-toestand zich voordoet. De verzoeken van [verzoekster] moeten daarom worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het is de rechtbank niet gebleken dat [verzoekster] in staat is om gedurende de gevraagde afkoelingsperiode van twee maanden aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Desgevraagd heeft [verzoekster] ter ziting zelf verklaard dat het betalen van de lopende huur over februari 2025 “een uitdaging” is. [verzoekster] beschikt ook niet over een exploitatiebegroting na voortzetting van haar onderneming op een andere locatie. Zij heeft zelfs nog geen huurovereenkomst voor de nieuwe locatie ontvangen of een overzicht van de aan de nieuwe locatie verbonden (service)kosten. Het is daarmee niet zeker dat [verzoekster] na haar -al dan niet gedwongen- vertrek van haar huidige locatie wel over een opvolgende locatie beschikt om haar onderneming voort te zetten en of zij de hieraan verbonden financiële verplichtingen wel na kan komen. Verder kon [verzoekster] niet aangeven wanneer haar zieke werknemer niet meer op haar exploitatieresultaat drukt. Door het onbreken van vele feitelijke gegevens over de vooruitzichten van de te maken kosten en de enkele, niet onderbouwde, aanname over de te realiseren omzet kan de rechtbank niet vaststellen dat [verzoekster] in staat is om haar lopende verplichtingen te voldoen.

Nu niet vast is komen te staan dat [verzoekster] haar lopende verplichtingen kan blijven voldoen, betekent dit dat [verzoekster] niet verkeert in de WHOA-toestand. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er geen ruimte is voor toewijzing van de door [verzoekster] ingediende verzoeken. Ten slotte geldt dat [verzoekster] , althans haar advocaat die haar hiervoor bijstaat, heeft nagelaten om de op grond van de wet vereiste toezegging te doen om binnen twee maanden een akkoord aan te bieden. Dit betekent dat de verzoeken ook om die reden moeten worden afgewezen. Op het verzoek tot aanhouding van het verzoek tot het aanstellen van een herstructureringsdeskundige hoeft daarmee niet meer te worden beslist.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode als bedoeld

in artikel 376 Fw;

wijst af het verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige als bedoeld in artikel 371 Fw;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Konings, voorzitter, mr. J. Schreurs-van de Langemheen en mr. L. Mundt, rechters, in aanwezigheid van R.R. Beek, griffier, en uitgesproken door mr. G. Konings op 11 februari 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G. Konings
  • mr. J. Schreurs-van de Langemheen
  • mr. L. Mundt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?