RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer : 11977049 UT VERZ 25-8070 jb
dossiernummer : BM 42053datum : 23 december 2025
beschikking op een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder
op verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [postcode 1] [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen: verzoekster,
met betrekking tot:
[rechthebbende] ,
geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929,
wonende te [postcode 2] [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna te noemen: rechthebbende.
1. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
Het verzoek is mondeling behandeld op 12 december 2025.
Ter zitting zijn verschenen:
Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
Beschikking is bepaald op heden
2. De beoordeling
2.1
Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 2 oktober 2025 is het vermogen van rechthebbende onder bewind gesteld met benoeming van [organisatie] B.V. tot bewindvoerder. Bij brief, ontvangen op 10 november 2025, heeft verzoekster verzocht om het bewind op te heffen. Bij brief van 9 december 2025 heeft verzoekster haar verzoek gewijzigd in dier voege dat zij thans verzoekt om de huidige bewindvoerder te ontslaan en om verzoekster te benoemen tot bewindvoerder.
2.2
In artikel 1:448, lid 2 BW is bepaald dat ontslag wordt verleend op eigen verzoek, op verzoek van de medebewindvoerder, op verzoek van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1: 432, lid 1en lid 2 BW, dan wel ambtshalve.
In artikel 1:432, lid 1 BW, eerste volzin, is bepaald dat instelling van bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenote, zijn geregistreerde partner dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de recht lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag over de rechthebbende uitoefent, zijn voogd, zijn curator als bedoeld in artikel 16 en zijn mentor als bedoeld in titel 20.
2.3
De eerst te beantwoorden vraag is of verzoekster een bloedverwant in de vierde graad is van rechthebbende. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster een bloedverwant in de vijfde graad is dat bijgevolg verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.
De kantonrechter overweegt het volgende.
In artikel 1:lid 3, lid 1 BW (eerste volzin) is bepaald dat de graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt.
Dit betekent dat tussen ouders en kinderen bloedverwantschap in de eerste graad bestaat en tussen grootouders en kleinkinderen bloedverwantschap in de tweede graad bestaat. Voor het berekenen van de graad van bloedverwantschap in de zijlinie moet men eerst opklimmen tot de gemeenschappelijke stamvader (-moeder) en vervolgens neerdalen tot de verwant. Broers en zusters zijn derhalve bloedverwanten in de tweede graad. Tussen ooms en tantes enerzijds en hun neven en nichten anderzijds bestaat bloedverwantschap in de derde graad. Neven en nichten zijn bloedverwanten in de vierde graad.
Verzoekster is een achternicht van rechthebbende. Het getal der geboorten tussen haar en rechthebbende bedraagt vijf. Derhalve is verzoekster een bloedverwant in de vijfde graad.
De kantonrechter merkt nog op dat zowel verzoekster als de bewindvoerder een stamboom hebben getekend en in het geding hebben gebracht. Dat verzoekster op bloedverwantschap in de vierde graad uitkomt lijkt een gevolg te zijn van het feit dat verzoekster generaties telt. Dat is niet juist: zoals hiervoor uiteengezet bepaalt het aantal geboorten (eerst opgaand naar de gemeenschappelijke stamvader en vervolgens neerdalend) de graad van bloedverwantschap.
Nu verzoekster een bloedverwant in de vijfde graad van rechthebbende is wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
3. De beslissing
De kantonrechter:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.